Mill, O.L. Vrouw, Maria ten Hove

Cultusobject: O.L. Vrouw, Maria ten Hove
Datum: Rond Pasen
Periode: Voor 1700 - begin 20e eeuw
Locatie: O.L. Vrouwekapel (Maria-ten-Hove-kapel) behorend tot de parochie van St. Willibrordus
Adres: Kapelweg 13, 5451 PG Mill
Gemeente: Mill c.a.
Provincie: Noord-Brabant
Bisdom: 's-Hertogenbosch
Samenvatting: Mogelijk al vanaf de late middeleeuwen werden er bedevaarten ondernomen naar een miraculeuze afbeelding van Maria in een tot de uithof van de abdij Mariënweerd behorende kapel te Mill. Ondanks het verbod vanaf 1648 op de openbare r.k. godsdienstuitoefening in Staats-Brabant bleef deze plaats tot aan het begin van de 20e eeuw bedevaartgangers trekken.
Auteur: Bas van Bavel
Illustraties:
Topografie - Omstreeks 1160 kreeg de norbertijner abdij Mariënweerd toestemming van de bisschop van Luik om op haar uithof te Mill de mis te vieren en haar broeders te begraven. Waarschijnlijk is hier toen een kapel gesticht die was gelegen tussen de uithofgebouwen. De huidige kapel werd in de 15e eeuw gebouwd, uitgevoerd in gotische stijl. Na 1648, toen de norbertijnen waren vertrokken en de uithof tot de domeinen van de Nassaus was gaan behoren, raakte de kapel steeds meer in verval. In 1672 was zij al leeg, verlaten en zonder glasramen, terwijl aan het begin van de 20e eeuw nog slechts enkele armzalige resten van het gebouw overeind stonden.
- In 1975 nam de gemeente het bezit van de ruïne over van het rijk. In de jaren 1977-1980 zijn kapel en voorportaal herbouwd onder leiding van architect J. de Jong uit Schaijk. Thans wordt de kapel gebruikt als gemeentelijke trouwzaal.
Cultusobject - Het laatmiddeleeuwse object van verering betreft waarschijnlijk een Mariaprent of -schilderij. In het visitatieverslag uit 1672 wordt gesproken van 'imago', wat eerder op een afbeelding dan een beeldje lijkt te duiden. Ook nadien, omstreeks 1715, richtte de devotie van de bezoekers van de kapel zich op een Maria-afbeelding of prentje, waarvan onduidelijk is of het dezelfde afbeelding is als die uit de late middeleeuwen. Na de 18e eeuw lijkt er geen cultusobject meer te zijn geweest, maar bleef men toch deze plaats bezoeken.
Verering - In de late middeleeuwen bevond zich in de uithofkapel al een miraculeuze Maria-afbeelding, maar van enige verering is niets bekend. Uit de periode omstreeks 1700, toen de uitoefening van de katholieke godsdienst in het Land van Cuijk was verboden, hebben we wel informatie, met name uit het Millse 'kerkeboek'. De toenmalige predikant van Mill, Arnoldus van Ardenne, nam hierin in 1715 een verslag op naar aanleiding van de moeilijkheden die hij dat jaar had ondervonden bij de ingebruikname van de kapel voor de gereformeerde eredienst, ter vervanging van de parochiekerk waarvan het dak was ingestort. Volgens dit verslag kwamen aan het einde van de 17e eeuw mensen naar de verlaten kapel om er te bidden, vooral in de periode rond Pasen. Naar zeggen van de predikant, die zich sterk ergerde aan deze paapse praktijken, hadden 'afgodische wijven' hier omstreeks 1700 een papieren Maria-afbeelding en later nog andere heiligenprentjes tegen de muur geplakt en nam het bezoek steeds verder toe. Vrouwen gingen hier op zondagmiddag naartoe om te bidden. Toen er ook nog enkele wonderen gebeurden - volgens de predikant gefingeerd - nam de belangstelling voor de kapelruïne en de Maria-afbeelding in de jaren omstreeks 1710 nog verder toe. Nu kwamen ook mensen met karren uit omliggende dorpen en heerlijkheden naar de kapel. Toen de predikant en de koster in 1715 op zoek moesten naar een nieuwe kerkruimte, lieten zij hun oog vanzelfsprekend op de kapel vallen. De koster trachtte de kapel van haar paapse elementen te ontdoen, maar dreigde daarbij door de aanwezige vrouwen te worden gestenigd. Nadat nog verdere tegenwerking van katholieke zijde had plaatsgevonden, greep de ambtman in. Hij arresteerde twee Millse vrouwen en legde de dorpsgemeenschap een boete van ⨍1.000,- op. Korte tijd later werd de kapel officieel door de predikant in bezit genomen, onder begeleiding van 'een convoij van al de Rigterbodens van 't geheele Land van Cuijk, elk voorsien met een snaphaan'. Het is opvallend dat de predikant de bedevaart toeliet zolang hij de kapel niet zelf nodig had.
- In 1922 beweerde men dat er omstreeks 1860 'uit de omgeving talrijke scharen derwaarts' trokken 'om genezing van de destijds algemeen voorkomende z.g. derdedaagsch of anderdaagsche koorts'. Volgens een aantekening uit circa 1930 werden ongeveer 20 jaar tevoren nog individuele bedevaarten voor zieken naar de kapelruïne gehouden. Volgens de mondelinge overlevering zou men vooral omwille van een voorspoedige bevalling naar Mill op bedevaart zijn gegaan. Dat daarom, zoals sommigen menen, in de kapel een beeldje moet hebben gestaan van een hoogzwangere Maria, een Maria-in-het-Hofke, is echter onbewezen. Waarschijnlijk is dit idee mede voortgekomen uit de naam van de kapel: Maria-ten-Hove. Deze naam is echter niet afgeleid van een Maria-in-het-Hofkebeeld, maar van de voormalige uithof van de abdij Mariënweerd, waartoe de kapel behoorde.
- Behalve als bedevaartplaats fungeerde de kapel ook als locatie van enkele plaatselijke legenden. Zo kende men in Mill een verhaal van een wandelend Mariabeeld en een legende van een jonkvrouw die in de kapel zou zijn vermoord en begraven. Met de bedevaartpraktijk lijken deze legenden echter niet direct in verband te staan.
Materiële cultuur - De bedevaarten in de Millse kapel hebben aan materiële relicten niets nagelaten. Ook de opgravingen die in de kapel zijn verricht, hebben op dit vlak niets opgeleverd. In 1922 vond men er het skelet van een priester met een Mariascapulier, waarschijnlijk daterend uit de periode omstreeks 1700. Ook vond men in 1976 enkele 17e- en 18e-eeuwse muntjes, maar verder niets.

Bronnen en literatuur Archivalia: Grave, oud archief N.H. kerk Grave-Mill: inv.nr. 241, Kerkeboek van Mill, 1694-1794. Mill, parochiearchief: losse aantekeningen uit circa 1930.
Literatuur: 'Mill', in: Echo, 21 oktober 1922; Egb. Cornelissen, ' Zeldzame vondst te Mill', in: Boxmeers Weekblad, 23 december 1922; 'Mill. Uit het verleden. De oude kapel', in: Millse Courant, 26 februari 1954; 'Historie Millse kapelruïne vaag', in: De Gelderlander, 12 mei 1976; H. Douma, 'Opgravingen in en bij de kapel-ruïne van Onze Lieve Vrouwe ten Hove te Mill in het voorjaar van 1976', in: Merlet 13 (1977) p. 67-76; 'Nog geen bestemming voor kapel in Mill', in: De Gelderlander, 22 juli 1977; 'Maria-kapel Mill stemmig geopend', in: De Gelderlander, 30 maart 1981; H. Douma, 'Onenigheid over het gebruik van de kapel van O.L. Vrouwe ten Hove te Mill in 1715', in: Merlet 25 (1989) p. 36-47; A. Claassens, Herdenkingsboek bij gelegenheid van het 650-jarig bestaan van de parochie H. Willibrordus Mill (Mill: parochie,1976); K. Middelhoff, 'Verbeelding van vroomheid', in: Bisdomblad, 27-9-1991, p. 8; H. van de Weem, 'Mill van weleer', in: De Koerier, 19-10-1994, ongepagineerd; B.J.P. van Bavel, 'Goederenexploitatie van het klooster: de uithof', in: E. Koch e.a. ed., Over kaken, broodbanken en etstoelen. Sporen van middeleeuws Nederland (Utrecht: Matrijs, 1995) p. 60-61.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Mill; mondelinge mededelingen van de heer H.J.E. van de Weem uit Wijchen, tot 1993 woonachtig te Mill; tekening van de kapelruïne door J. de Beijer uit circa 1750.

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<