Maastricht, O.L. Vrouw en andere heiligen

Cultusobject: O.L. Vrouw en andere heiligen
Datum: 9-23 juli; feestdagen van O.L. Vrouwe en andere heiligen
Periode: 13e eeuw (?) - 17e eeuw / 1837 - heden
Locatie: Parochiekerk van O.L. Vrouw Tenhemelopneming (Basiliek O.L. Vrouw Sterre der Zee)
Adres: O.L. Vrouweplein 7, 6211 HD Maastricht
Gemeente: Maastricht
Provincie: Limburg
Bisdom: Roermond
Samenvatting: De publieke reliekentoningen die in Maastricht om de zeven jaar tijdens de zogenaamde heiligdomsvaart werden gehouden, trokken grote groepen pelgrims (mede) naar de O.L. Vrouwekerk aan. De heiligdomsvaart en de openbare reliekentoningen raakten vanaf de 16e eeuw in verval en zouden in de 18e eeuw niet meer worden gehouden. Sinds 1837, het jaar waarin de O.L. Vrouwekerk als parochiekerk dienst is gaan doen, worden er in deze kerk weer relieken getoond. Sinds het herstel van de Maastrichtse heiligdomsvaart van St. Servaas in 1874 raakten beide toningen in toenemende mate met elkaar verbonden.
Topografie
Auteur: Mieke de Kreek
Illustraties:
Topografie - Aan de westzijde van de Maas, in het midden van de oude stadskern staat de O.L. Vrouwekerk. De voormalige kapittelkerk is in 1933 door de paus tot basilica minor (basiliek, eretitel) verheven.
- Ofschoon de O.L. Vrouwekerk waarschijnlijk al vanaf de vierde eeuw tot de dood van de H. Lambertus (ca. 700; ⟶ Sint Pieter) als bisschopskerk fungeerde, dateren de oudste delen van het huidige kerkgebouw pas uit circa 1000. De kerk is een in steen overwelfde kruisbasiliek met een driebeukig schip. Kenmerkend zijn de hoge massieve westbouw en het koor dat een omgang heeft met daarboven een galerij. De belangrijkste onderdelen van het (tegenwoordige) kerkgebouw kunnen als volgt globaal gedateerd worden: de oostpartij en het schip uit het derde kwart van de 12e eeuw; de galerij boven de kooromgang uit het begin van de 13e eeuw; het onderste deel van het westwerk uit circa 1000, het bovenste deel van het westwerk uit circa 1200; de kloostergang uit het midden van de 16e eeuw. In de periode 1887-1917 werd de kerk grondig gerestaureerd onder leiding van P.J.H. Cuypers. In 1992 is een nieuwe algehele restauratie gestart.
- Het is vooralsnog onduidelijk vanaf welke plaats de relieken binnen de kerk aan het publiek werden getoond. In de late middeleeuwen geschiedde dit mogelijk vanaf de galerij van de kooromgang of eventueel vanuit een vertrek op de verdieping van het ingangsportaal. De reliekentoningen in de openlucht organiseerde het kapittel vanuit het westwerk van de kerk.
Cultusobject - In de loop der eeuwen heeft het O.L. Vrouwekapittel relieken van uiteenlopende heiligen verworven die veelal gevat waren in kostbare edelmetalen en ivoren houders. Het is niet bekend welke relieken in de middeleeuwen tot de kerkschat behoorden en welke later zijn verworven. Een aantal is ook in de loop der jaren verloren gegaan, zoals met behulp van een 17e-eeuws toningsformulier kan worden vastgesteld. Evenmin is bekend welke van de relieken in de publieke toning waren opgenomen. In 1938 (Monumenten van geschiedenis en kunst) werden als belangrijke relieken/reliekhouders vermeld: van O.L. Vrouw, Apollonia, Nicolaas, Catharina, Barbara, Bernardus, Hilarius, Margriet, Ursula, Agatha, Scolastica, Thebaans legioen en H. Land.
Verering - De, voorzover bekend, oudste vermelding die getuigt van publieke reliekenverering in de O.L. Vrouwekerk is opgenomen in het reglement voor het ambt van koster-schatbewaarder uit 1286. Hierin staat aangetekend dat de 'custos' onder meer recht heeft op de gaven die de gelovigen op de relieken legden, 'te weten op het kruis, de gordel, op de relieken van de H. Barbara en op de andere relieken'. Met het kruis en de gordel zullen twee zeer belangrijke relieken in de O.L. Vrouwekerk zijn bedoeld en wel het gouden patriarchaalkruis en de gordel van Maria, patrones van deze kapittelkerk. Het Byzantijnse dubbelkruis, waarin vijf H. Kruisrelieken zijn gevat, bevindt zich sinds de schenking aan paus Gregorius XVI in 1837 in de schatkamer van de St. Pieter te Rome; de gordel van Maria wordt nog steeds in de O.L. Vrouwekerk bewaard. Over het tijdstip waarop de relieken in de kapittelkerk door het volk konden worden aanschouwd, vereerd en begiftigd, werd in het laat 13e-eeuwse reglement niets vermeld. Hetzelfde geldt voor de precieze plaats binnen het kerkgebouw waar dit alles geschiedde.
- Een andere, in het kader van reliekenverering, interessante passage staat in de laat-14e-eeuwse Liber ordinarius van de O.L. Vrouwe opgetekend bij het ambt van onderkoster. De 'subcustos' namelijk beheerde 'de sleutels (van de relieken) van de H. Barbara vanwege de pelgrims die de genoemde relieken dagelijks bezoeken'. Met name speciaal vereerde Barbararelieken zouden deze toevloed van bedevaartgangers naar de kerk teweeg hebben gebracht (⟶ Maastricht, Barbara).
- De in waardevolle houders gevatte relieken waren meestal echter niet toegankelijk, daar ze veelal in de als kluis dienende schatkamer waren opgeborgen. Slechts bij bijzondere gelegenheden verlieten ze deze veilige bergplaats om elders in de kerk te worden getoond of opgesteld. Zo zullen de meest kostbaar uitgevoerde reliekhouders de altaren hebben gesierd tijdens belangrijke feestdagen waarop velen de kerk bezochten. Tot de hoogtijdagen waarop deze pronkstukken waren uitgestald, behoorden de feestdagen van Maria en van de HH. Lambertus en Barbara, dagen waarop sinds 1325 in de O.L. Vrouwekerk aflaten waren te verkrijgen.
- De publieke toning van relieken kon zowel in als buiten het kerkgebouw plaatsvinden. De toningen in de openlucht waren te Maastricht sinds de late 14e eeuw - en mogelijk al eerder - geconcentreerd in de zogenaamde heiligdomsvaart (⟶ Maastricht, Servaas), die vijftien dagen duurde en eens in de zeven jaar in de maand juli (9-23) werd gehouden. In tegenstelling tot de openluchttoningen die het Servaaskapittel ondernam en waarvan enige ooggetuigenverslagen zijn overgeleverd, is de kennis van dergelijke door het O.L. Vrouwekapittel georganiseerde toningen, zoals gezegd, uiterst summier. Dit is mogelijk (mede) verklaarbaar door het feit dat over de toning in/bij de O.L. Vrouwekerk in de 15e en 16e eeuw grote onenigheid bestond tussen de beide Maastrichtse kapittels, hetgeen in eerste instantie nadelig was voor het O.L. Vrouwekapittel. Deze onenigheid of concurrentiestrijd ontbrandde in alle hevigheid in het jaar 1440 en zou tot in de 16e eeuw voortduren. Tijdens de heiligdomsvaart van dat jaar verstoorden de leden van het O.L. Vrouwekapittel, de 'Mariani', de reliekentoning van het Servaaskapittel in die zin dat zij hun relieken op precies hetzelfde tijdstip toonden en de toning eveneens met klokgelui aankondigden. Hierop spande het Servaaskapittel een proces aan, dat in 1443 te Rome aanhangig werd gemaakt. Het Servaaskapittel eiste het alleenrecht op voor het tonen van relieken in de openlucht. De strijdende partijen werden voor arbitrage naar Luik verwezen, alwaar in 1445 een schikking werd bereikt in het voordeel van de 'Servatiani', de kanunniken van het Servaaskapittel. Deze schikking bevestigde de monopoliepositie van het Servaaskapittel door de 'Mariani' een verbod op openluchttoningen op te leggen en zelfs het luiden van de klokken bij reliekentoningen binnenskerks niet toe te staan. Precies zeventig jaar later, op 11 juni 1515, herriepen de kanunniken van het O.L. Vrouwekapittel deze dwangschikking en kondigden aan dat zij in het komende heiligdomsvaartjaar (1517) hun relieken in de openlucht en compleet met klokgelui zouden tonen. Door toedoen van koning (vanaf 1519 keizer) Karel V werd deze toning evenwel verboden en de monopoliepositie van het Servaaskapittel in dezen wederom erkend.
- Uit de tekst van de op 4 juli 1517 gedateerde beschikking blijkt dat de kapittelheren van O.L. Vrouw inmiddels speciale openingen in het westwerk van de kerk hadden laten aanbrengen om de relieken aan het zich voor de kerk verzamelde volk te kunnen laten zien. De 'Mariani' riepen na deze koninklijke uitspraak, evenals in 1443, de hulp in van Rome en dit keer met succes: in de eindschikking van 19 december 1521 werd vastgelegd dat de beide kapittels hun relieken-ostensio in de open lucht en vergezeld van klokgebeier mochten houden, echter niet op hetzelfde tijdstip. De 'Servatiani' dienden voortaan hun kostbaarheden als eerste te tonen en de toeschouwers bovendien na de laatste proclamatie te attenderen op de reliekentoning bij de O.L. Vrouwekerk, die werd gehouden aansluitend op de plechtigheden op het Vrijthof.
- Uit bovenstaande perikelen wordt duidelijk dat het kapittel in een periode waarin de heiligdomsvaart populair was, zijn relieken noodgedwongen alleen in de kerk heeft kunnen tonen. Waar en hoe deze toningen toen precies plaatsvonden, is onbekend, maar de schatkamer zal zeker niet berekend zijn geweest op de grote aantallen bezoekers die de heiligdomsvaart met zich meebracht. De belangrijkste 'heiligdommen' werden wellicht vanaf de galerij boven de kooromgang tentoongesteld voor de in het schip van de kerk verzamelde menigte. Een andere mogelijkheid is dat de zevenjaarlijkse reliekentoning geschiedde vanuit een vertrek op de verdieping van het ingangsportaal, dat was voorzien van openingen of eventueel van een galerij naar de kerk. Kleinere groepen en individuele gelovigen hebben de reliekenschat vermoedelijk wél in de schatkamer kunnen bewonderen.
- Een 17e- en een laat-18e-eeuws afschrift van een toningsritueel verschaffen enig inzicht in de wijze waarop reliekentoningen geschiedden. Uit het opschrift van de 17e-eeuwse tekst, 'Ritus servandus in ostensione sacrarum reliquiarum in camera earumdem ...', blijkt dat de plechtigheid in de reliekenkamer werd gehouden. De relieken waren toen over vier kasten verdeeld en de toning verliep als volgt: na het openen van de eerste kast maakte de betreffende geestelijke een buiging voor (het beeld van) Maria, riep de Moeder Gods en alle andere heiligen aan om bij God voorspraak te doen en toonde hierna als eerste de gordel van Maria, waarvan de houder in het midden van de kast stond opgesteld. Vervolgens werden de andere relieken getoond, met als laatste het Lambertuskleed en het patriarchaalkruis. Deze beide relieken bevonden zich los van de overige, elk in een aparte kast. De toning werd afgesloten met een kort gebed.
- Het ritueel werd vermoedelijk zowel bij de toningen aan een klein publiek gedurende de heiligdomsvaart als bij de particuliere toningen voltrokken. Deze laatste toningen konden te allen tijde op verzoek van voorname personen worden gehouden. Een van de toeschouwers bij een dergelijke toning aan privé-personen was de Normandische edelman, diplomaat en militair François-Nicolas Baudot du Buisson-Aubenay (ca. 1590-1652). Hij bezocht in 1627 - geen heiligdomsvaartjaar - de schatkamers van de beide Maastrichtse kapittelkerken en deed hierover verslag in zijn reisjournaal. Over de toning in de O.L. Vrouwekerk schreef Du Buisson-Aubenay, in tegenstelling tot die in de Servaaskerk, helaas weinig. Hij beperkte zich tot het inplakken van een toningsformulier, waaraan hij enkele korte opmerkingen toevoegde. Op deze reliekenprent is 'dat seer erweerdich heylichdom dat men tot maestric thoont allen vii iaren de ix iuly xv dagen lang in onser lieven vrowen kerche met veel ander heylichdom' weergegeven, aldus de Nederlandse versie van het drietalige opschrift. De in totaal zeventien reliekhouders zijn afgebeeld onder bogen die op zuilen rusten en voorzien van zowel een Franse als een Nederlandse verklarende tekstregel. Hoewel de reliekenprent waarschijnlijk in een aanzienlijke oplage is gedrukt, is er tot dusver slechts één (vroeg-17e-eeuws) exemplaar bekend en wel de genoemde prent in het handschrift van Du Buisson-Aubenay.
- Slechts één pelgrimsinsigne kan met zekerheid in verband worden gebracht met de Maastrichtse O.L. Vrouwekerk. Het betreft een klein rond hangertje van een tin-lood-legering, dat in de periode 1475-1525 is ontstaan. De ene zijde toont Maria met Kind en het Maastrichtse wapen, de vijfpuntige ster; aan de andere zijde is Servatius met sleutel en kromstaf weergegeven. Geen pelgrimsteken dus dat exclusief is voor de O.L. Vrouwekerk, maar een dat verwijst naar beide Maastrichtse kapittelkerken, of althans naar beide kerk- en kapittelpatronen.

Verval en herleving
- Vanaf de 16e eeuw zou de Maastrichtse heiligdomsvaart steeds meer in verval raken. In de vroege 17e eeuw hielden de 'Mariani' in ieder geval nog reliekentoningen in de heiligdomsvaartjaren 1608 en 1615, aldus blijkt uit kapittelbesluiten. Het is evenwel onduidelijk of deze toningen in de buitenlucht of binnen de muren van de kerk plaatsvonden. In 1629 brak er tijdens het toningsfeest brand uit in de reliekenkamer, waarbij vooral antependia verloren gingen. Op 14 juni 1695 werd nog besloten dat de relieken (ook?) particulier getoond mochten worden op aanvraag van minstens twee kannuniken. Kapelaans mochten vervolgens de aanwezigen 'volgens hun staat en stand' de relieken tonen. Gegevens over eventuele toningen in de 18e eeuw zijn niet voorhanden. Aan het einde van de 18e eeuw werden de kapittels, evenals andere geestelijke instellingen in gebieden onder Franse heerschappij, opgeheven en hun bezit geconfisqueerd. In die woelige jaren hebben de kanunniken niet kunnen voorkomen dat vele edelmetalen reliekhouders, kandelaren en andere liturgische voorwerpen in de smeltkroes ten onder gingen. Zo zijn tien van de zeventien op het toningsformulier afgebeelde reliekhouders (geheel of grotendeels) verloren gegaan. De relieken zelf heeft men veelal voor de kerk weten te behouden door ze elders in veiligheid te brengen.
- In 1837 werd de voormalige kapittelkerk van O.L. Vrouw in ere hersteld, met dien verstande dat dit Godshuis als parochiekerk ging functioneren (tot 1342 functioneerde de kerk als kapittel- en als parochiekerk, daarna alleen als kapittelkerk). Sinds dat jaar werden er ook weer relieken uitgesteld en getoond. De Maastrichtse heiligdomsvaart werd in 1874 nieuw leven ingeblazen ⟶ Maastricht, Servaas). De bijbehorende reliekentoningen, die tot op de dag van vandaag eens in de zeven jaar in de kerk worden gehouden, zijn een beperkte afspiegeling van de in de late middeleeuwen zo populaire toningen. De toning in de open lucht geschiedt, samen met die van de St. Servaaskerk en andere kerken in Maastricht, in de vorm van een processie.
Materiële cultuur Devotioneel drukwerk
- Toningsformulier: gravure (33 x 39 cm) uit de vroege 17e eeuw met daarop afgebeeld en beschreven de reliekenschat van de O.L. Vrouwekerk, die elke zeven jaar werd getoond; coll. gemeentearchief Maastricht.
- Aflaatprentje (40 dagen): 'Respise Stellam voca Mariam', met tekst over de aflaat en het miraculeuze beeld met gravure van het beeld en vereerders (sign. M. Cabbay [1697]; 10 x 7 cm).
Bronnen en literatuur Archivalia: Maastricht, Rijksarchief in Limburg: kapittelarchief van O.L. Vrouw. Maastricht, gemeentearchief: parochiearchief O.L. Vrouw en parochiearchief St. Servaas. Maastricht, Stadsbibliotheek, afdeling Documentatie Limburg (19e-20e-eeuws devotioneel drukwerk n.a.v. heiligdomsvaart).
Literatuur: Aubertus Mireaus, Fasti Belgici et Burgundici (Brussel: I. Peperman, 1622) p. 227-233, beschrijving H. Kruis uit de reliekenschat; Fr. Bock & M. Willemsen, Antiquités sacrées conservées dans les anciennes collégiales de S. Servais et de Notre Dame à Maestricht (Maastricht: Jos. Russel, 1873); Jan Kalf, De katholieke kerken van Nederland (Amsterdam: Van Holkema & Warendorf, 1906) p. 549-552; Ad Welters, 'Over Sint Christoffel', in: De Nedermaas 5 (1927-1928) p. 54-57, over Christoffelverering; Ad. Welters, 'Over de heiligdomsvaart en relieken uit de O.L. Vrouwekerk te Maastricht in de bewogen xviide eeuw', in: De Nedermaas 7 (1929-1930) p. 139-142; J.W.H. Goosens & E. Van Nispen tot Sevenaer, De monumenten van geschiedenis en kunst in de provincie Limburg. Eerste stuk: de monumenten in de gemeente Maastricht. Vierde aflevering (Den Haag: Algemeene Landsdrukkerij, 1938) p. 467-576; P.C. Boeren, Heiligdomsvaart Maastricht. Schets van de geschiedenis der heiligdomsvaarten en andere jubelvaarten (Maastricht: Ernest van Aelst, 1962); J. Koreman, Rekening van de stad Maastricht over het jaar 1399-1400 (Assen: Van Gorcum, 1968) p. 15, 106; J.J.M. Timmers, De kunst van het Maasland, dl. 1 (Assen: Van Gorcum, 1971) p. 115-122, 133-154, 165-179; J.M.B. Tagage, De ordinarius van de collegiale Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht volgens een handschrift uit het derde kwart van de veertiende eeuw (Assen: Van Gorcum, 1984); A.M. Koldeweij, 'Reliekentoningen, heiligdomsvaarten, reliekenprocessies en ommegangen', in: Schatkamers uit het Zuiden (Utrecht: Rijksmuseum Het Catharijneconvent, 1985) p. 57-71; A.M. Koldeweij, Der Gude Sente Servas. De Servatiuslegende en de Servatiana: een onderzoek naar de beeldvorming rond een heilige in de middeleeuwen (Assen: Van Gorcum, 1985) p. 5-22; R. de La Haye, 'Geschiedenis van de Maastrichtse heiligdomsvaart', in: Hemelse Trektochten. Broederschappen in Maastricht 1400-1850 (Maastricht: Stg. Historische Reeks, 1990) p.107-121; A.M. Koldeweij, 'Pelgrimages', in: Hemelse Trektochten (Maastricht: Stg. Historische Reeks, 1990) p. 89-106; A.F.W. Bosman, De Onze Lieve Vrouwekerk te Maastricht (Utrecht: Clavis / Zutphen: de Walburg Pers, 1990); H.J.E. van Beuningen & A.M. Koldeweij, Heilig en profaan. 1000 laatmiddeleeuwse insignes uit de collectie van H.J.E. van Beuningen (Cothen: Stg. Middeleeuwse Religieuze en Profane Insignes, 1993) p. 196, inv.nr. 1020; Ada van Deijk, Romaans Nederland (Amsterdam: Architectura & Natura, 1994) p. 105-138; M.L. de Kreek, De kerkschat van het Onze-Lieve-Vrouwekapittel te Maastricht (Amsterdam/Utrecht: Architectura & Natura/Clavis, 1994) p. 18-22, 87-88.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Maastricht-O.L. Vrouw en andere heiligen (heiligdomsvaart ).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<