Bolsward, O.L. Vrouw van Zevenwouden

Cultusobject: O.L. Vrouw van Zevenwouden
Datum: Zondag voor Pinksteren en 2 juli (tot 1580); maand mei en laatste zondag van september (na 1945)
Periode: 1515 - heden
Locatie: Parochiekerk van St. Franciscus
Adres: Grote Dijlakker 7, 8701 KV Bolsward
Gemeente: Bolsward
Provincie: Friesland
Bisdom: Groningen
Samenvatting: De cultus is in 1515 ontstaan rond een Mariabeeld waarmee wonderen in verband werden gebracht. Het beeld kreeg kort voor 1523 een plaats in een aparte kapel. De wonderen werden opgetekend in een overgeleverd mirakelboek. Na de reformatie in 1580 bleef ter plaatse een 13e-eeuws beeld bewaard, waarvan wordt aangenomen dat het hetzelfde is als dat uit de kapel. Dit beeld werd mede door toedoen van de franciscanen sinds het midden van de 18e eeuw weer door Bolswardse katholieken vereerd en kreeg in de vorige eeuw een plaats in de parochiekerk van St. Franciscus. Naar verluidt is tot het midden van de 19e eeuw een stille omgang langs de oude processieweg in ere gebleven. Vanaf ongeveer 1920 stimuleerden de franciscanen met hernieuwde kracht de devotie in Bolsward en wijde omgeving. Omstreeks 1970 kwam er een einde aan de georganiseerde bedevaart en de omgang. Sindsdien is het voornamelijk een individuele devotie.
Auteur: Hans Mol
Illustraties:
Topografie - De kapel werd in het eerste kwart van de 16e eeuw geconstrueerd op een overspanning over een smalle gracht in het centrum van de stad; vandaar de naam van Kapel op de Post (post = brug). De ingang was aan de Kerkstraat. Ze was met het koor op het zuidoosten georiënteerd, met de noorder zijgevel aan de Broerestraat en de zuider zijgevel aan de Kapelstraat. De kapel was opgetrokken in gotische stijl met spitsbogen aan weerszijden van de ingang, met op het dak een kleine spitse toren. Het geheel was 20 meter lang en zo'n 14 meter hoog. De achterzijde had een absisvorm, met een driezijdige nisvormige muur. In de kapel bevond zich op een kleine verhoging een draagbaar altaar, vermoedelijk van hout, met daarin een gewijde altaarsteen. Het mocht alleen gebruikt worden binnen het parochiegebied van de Bolswarder St. Maartenskerk. De kapel heeft na de reformatie een tijdlang dienst gedaan als Latijnse school; zij is in 1868 wegens bouwvalligheid gesloopt.
- Het Mariabeeld, dat na de reformatie in katholieke kring in Bolsward werd vereerd, kreeg in de vorige eeuw een plaats in de in 1847 gebouwde Sint Franciscuskerk aan de Grote Dijlakker. Toen in de jaren 1932-1934 op dezelfde plaats een grote nieuwe parochiekerk voor heel Bolsward en omgeving werd gebouwd, die overigens ook onder de bescherming van St. Franciscus kwam te staan, werd daarin een aparte nis voor het Mariabeeld ingericht, rechts van de hoofdingang. Daar bevindt het beeld zich nog steeds. Op 28 mei 2017 werd de kerk geproclameerd als basiliek. Deze titel werd voornamelijk verleend op basis van de bijzondere devotie tot O.L. Vrouw van Sevenwouden.
Cultusobject Beeld
- Het betreft een eikenhouten beeld van een zittende Madonna met het Christuskind op haar schoot. Het is 35 cm hoog. Kunsthistorici zijn van mening dat het uit de 13e eeuw stamt en afkomstig is uit Westfalen. Omdat het pas voor het eerst in de overlevering in 1515 wordt vermeld, kan over zijn vroegere geschiedenis alleen maar gespeculeerd worden.
Het beeld is enigszins geschonden. Het kind draagt in de rechterhand de wereldbol maar heeft deze vermoedelijk eerst in de linkerhand gehad. De rechterhand zou dan oorspronklijk zegenend opgeheven geweest kunnen zijn. Volgens de kunsthistoricus Bouvy droeg het sporen van houtschroei, wat naar de stadsbrand van 1515 of naar een latere brand in 1580 zou kunnen verwijzen. Aan de achterzijde is het uitgehold. Het beeld lijkt een produkt van de zogenaamde Maasschool, die invloeden uit de Byzantijnse voorstellingswereld verwerkte. Het biedt als zodanig een vermenging van de 'Nikopoia' (de ter overwinning leidende Madonna) en de 'Hodigitria' (de zittende Maria die de Weg aanwijst).
Madonna en kind werden - mogelijk niet voor het eerst - in het midden van de 18e eeuw van een gouden kroontje voorzien. Omstreeks 1800 werd het beeld op een zilveren voetstuk geplaatst; circa 50 jaar later kreeg het een zilveren troon in gotische stijl aangemeten.

Naam
De benaming van het beeld is problematisch. In alle 16e-eeuwse bronnen, waarvan het mirakelboek de belangrijkste is, wordt gesproken over O.L. Vrouw (of Maria) van, of - minder vaak - te Bolsward. De cultus is later echter bekend geraakt onder de naam Onze Lieve Vrouwe van Zevenwouden. Zo spreekt men er vandaag de dag nog over. De benaming 'Wouden' duikt pas in het begin van de 17e eeuw op, om precies te zijn in een nog niet nader geanalyseerde plaatsbeschrijving van Bolsward van omstreeks 1613. In deze tekst wordt gesproken over 'een capelle van mirakell ter eeren van onsen L. Vrouwe uut de wolden, welcke voormaels mit toeloop van etlycke duysent menschen zeer besocht plachte te worden'. De Friese landsgeschiedschrijver Pierius Winsemius heeft deze tekst vermoedelijk geraadpleegd en daarbij de aanduiding 'wolden' verduidelijkt tot Zevenwouden. Hij gebruikt in zijn in 1622 verschenen en buitengewoon populaire kroniek van Friesland zowat dezelfde woorden in zijn zinsnede over 'een capelle ter eeren van onse Lieve Vrouwe uyt de Sevenwolden'. Sindsdien is steeds deze naam in de overlevering aangehouden. Ook het mirakelboek krijgt in de literatuur altijd weer 'van Zevenwouden' als toenaam mee, hoewel de inhoud daartoe geen enkele aanleiding geeft.
Verering 16e eeuw
- Het ontstaan van de Mariacultus te Bolsward kan gedateerd worden op 1515. Toen in mei van dat jaar de stad een aantal weken bezocht en geplunderd werd door de 'Zwarte Hoop', een bende afgedankte Saksische huursoldaten, zou het beeld, dat in een 'huisken' aan de zijmuur van een woonhuis bevestigd was, eerst gezweet hebben, en later bij de stadsbrand te water zijn geraakt. Verondersteld wordt dat dit huisken een soort beeldomhullend baldakijn is geweest, staande in een nis. Het beeld zou door de plunderende soldaten losgerukt zijn van het baldakijn en in het water gesmeten. Volgens de overlevering dreef het niet platliggend, zoals natuurlijk was, maar opwaarts staande in het water. Dit werd als een wonder opgevat. Het beeld werd in veiligheid gebracht, vermoedelijk in de parochiekerk van St. Maarten. Sindsdien nam de verering toe, zodanig dat er een aparte kapel gebouwd kon worden.
- Bij of door toedoen van het beeld zouden sindsdien tal van wonderen geschied zijn, waarvan er 97 in korte mirakelverhalen beschreven werden, grotendeels in het Middelnederlands, en enkele in het Latijn. Deze verhalen kunnen gedateerd worden tussen de jaren 1515 en 1534. Getuige de plaatsen die erin worden genoemd trok het beeld gelovigen uit heel Friesland, zij het dat het merendeel in Westergo gelokaliseerd kan worden. Slechts een paar wonderverhalen hebben betrekking op niet-Friezen, onder andere op inwoners van Kampen. Volgens het Mirakelboek vond er jaarlijks een processie of ommegang plaats op de zondag voor Pinksteren en op 2 juli (O.L. Vrouw Visitatie). Die laatste dag zou de dag van de kapelwijding kunnen zijn geweest. Of de kapel ook na 1534 - toen er geen mirakelverhalen meer werden aangetekend - bezocht werd, is niet bekend. Als de cultus is voortgezet, moet er een einde aan zijn gekomen in 1580, toen op last van de Friese Staten de uitoefening van de katholieke religie in Friesland werd verboden.

17e - 19e eeuw
Na de hervorming bleef het beeld een tijdlang verborgen. De franciscaner missionaris Georgius Couwenbergh noemde in een terugblik op zijn missiewerk omstreeks 1665 wel de kapel, maar niet het beeldje. Niet veel later moet dat in het bezit der minderbroeders gekomen zijn, die toen de zielzorg in een van de twee Bolswarder staties voor hun rekening namen. Het kreeg tussen 1690 en 1820 verschillende zilveren sieraden: kroontje, scepter, troon. Volgens pater Rogerius Burgers (pastoor van 1918 tot 1927), die in zijn gedenkboek ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van de franciscaner statie in Bolsward aandacht aan de Mariaverering besteedde, blijkt uit de 'boeken der wekelijksche afkondiging' dat op de zondag voor Pinksteren een volle aflaat te verdienen was. De processie door de stad bleef als stille omgang sinds de reformatie (vermoedelijk ieder op eigen gelegenheid) in gebruik tot circa 1850. De dag van de voormalige Mariaomgang was nog omstreeks 1875 een belangrijke dag binnen de kerk, bijna allen gingen te communie en het beeldje werd in processie rondgedragen. Kort daarna hielden deze gebruiken op te bestaan.

Herleving in de 20e eeuw
- Omstreeks 1900 kreeg de afgestorven traditie aandacht van enkele geïnteresseerde katholieke geestelijken. Een niet bij naam genoemde auteur en de carmeliet Titus Brandsma schreven er over in katholieke tijdschriften, en de redemptorist J.A.F. Kronenburg nam er een hoofdstuk over op in zijn monumentale werk Maria's heerlijkheid in Nederland. Toen in 1913 honderd jaar nationale onafhankelijkheid werd gevierd, werd het beeldje in een tentoonstelling over kerkelijke kunst te 's-Hertogenbosch opgenomen.
- Pater Burgers hield op 15 augustus 1920 een plechtig lof, waarin voor het eerst sinds enkele decennia het beeldje weer in processie door de kerk werd gedragen. Het tijdschrift Carmelrozen berichtte over een plan om de oude omgang op zondag voor Pinksteren te herstellen, waarbij opkomst en verloop 's pastoors verwachtingen zouden hebben overtroffen. Andere berichten noemen 15 en 25 mei 1925 als eerste traditionele datum. Burgers liet ook van een foto een prentje maken en plaatste op de achterkant een kort gebed. Tevens vroeg hij in 1924 herstel van de volle aflaat, zoals die voor 1880 was verleend. Het advies van aartsbisschop Van de Wetering: 'Vraag het aan Rome, dat is de via tutior [veiligste weg]', heeft hij waarschijnlijk niet opgevolgd. Wat hij over het beeldje en de devotie kon achterhalen, nam hij op in zijn parochiegeschiedenis (1924).
- De verspreiding van het prentje en van medailles leidde tot speciale gebedsactiviteit van gelovigen uit Harlingen en Leeuwarden, Lemmer en Rotterdam. Berichten over daarop gevolgde genezingen heeft Burgers in de katholieke krant Ons Noorden openbaar gemaakt (1926-1927). Net als in het 16e-eeuwse mirakelboek speelde de concurrentie met andere genadeoorden een rol: een zieke jongen uit Harlingen bijvoorbeeld vond geen baat bij een bedevaart naar Lourdes, maar werd in Bolsward geholpen. Vandaar dat in de nieuwe Franciscuskerk in de jaren dertig naast de ingang een bescheiden ruimte voor het Mariabeeldje is gemaakt, zodat na de mis aanleiding bestond om daar even te knielen en een kaars op te steken.
Pater Petrus Nielen (pastoor 1936-1944) kon het streven naar herstel van de oude devotie krachtig voortzetten. Op 22 juni 1940 (een willekeurige datum) organiseerde hij een massale bedevaart van vrouwen boven de 16 jaar, met als gebedsintentie 'Het verkrijgen van een rechtvaardige vrede'. In 1941 nam de Katholieke Actie de organisatie van deze bedevaart over; er zouden toen zo'n 600 à 700 meisjes uit verschillende plaatsen zijn komen opdagen. Ook voor 12 juli 1942 werd zo'n bedevaart aangekondigd, maar deze ging niet door omdat het van huis gaan te moeilijk werd. Daarna horen we alleen nog van kleine groepen uit Workum.
- Pater Nielen had de intentie 'eerlang' een aparte kapel bouwen, waarvoor hij zo'n ⨍350,- bijeen wist te sparen. Toen de bevrijding naderde, pakte pastoor Mamertus Staal (1944-1949) de zaak grootscheeps aan. Op 15 augustus 1944, tijdens het lof met omgang, maakte hij in zijn preek bekend dat er gewerkt zou worden aan de financiële grondslag voor een nieuwe grote kapel. 'De giften stroomden binnen', schreef Staal later; op het einde van het jaar was ⨍10.000,- bijeen. De geldstroom werd nadien gaande gehouden door een maandelijkse collecte, waarvan de helft bestemd was voor de kapel; de andere helft voor sieraden van de kerk. Op 4 maart 1945, tijdens de lijdensmeditatie, liet Staal de aanwezige gelovigen beloven dat zij 'zoo spoedig en zoo mooi mogelijk' een kapel zouden bouwen ingeval Bolsward voor oorlogsgeweld gespaard zou blijven. De komende week zou ieder 'een offer brengen dat hij voelde'. Dit leverde ⨍6.200,- op. Na de bevrijding boden de evacués uit Venlo nog eens ⨍600,- aan voor een raam in de kapel, dat O.L. Vrouw van ⟶ Genooi voorstelt. Binnen Friesland bleef er belangstelling voor de devotie bestaan. In mei 1945 kwamen weer meisjes uit Workum op bedevaartbezoek, op 6 juni uit Franeker. De laatsten hadden een pater bij zich en hielden ook een stille omgang.

De naoorlogse stille omgang
- Pastoor Staal was vastbesloten de devotie aan te wakkeren en verder te verspreiden. In het parochieblad had hij al eens gepleit voor herstel van de stille omgang. Zijn medeminderbroeder Siardus de Vries schreef een boekje De Friesche Lieve Vrouw over de geschiedenis van beeld en devotie, waarin tevens gebeden, liederen en een richtingwijzer voor de stille omgang waren opgenomen. Het kwam in oktober 1945 te Harlingen van de pers in een oplage van 500 exemplaren. Het boekje werd door jonge vrouwen verkocht en was in korte tijd uitverkocht. Ook naar buiten kon het dienst doen. De Keurraad voor Katholieke Jeugdlectuur liet in april 1947 weten dat er een reeks boekjes op stapel stond onder de titel Mariahulde; de tekst zou men ontlenen aan de oude Kronenburg, voor de illustraties vroeg de Keurraad fotomateriaal. Pastoor Staal verschafte dat en stuurde een boekje mee. In hetzelfde jaar verscheen een herdruk in duizend exemplaren, en gaf het Roomsk Frysk Boun een Friese vertaling door Simke de Haan uit. Zo kon men belangstellenden van dichtbij en veraf (Vaals, Bussum) gerieven. Enkele jaren later (1950) werd een prentje gedrukt naar een door de carmelites Martina van der Meer van het beeld gemaakt schilderij.
- Voor de organisatie van de bedevaart zelf vormde de in 1946 opgerichte 'Mariale groep' van de parochie een comité van vier leden; allen vrouwen. Gezien de toenmalige plannen lag dat wel voor de hand: men dacht aan een bedevaart voor meisjes tot 25 jaar uit heel Friesland, en één voor vrouwen. De bedevaart voor meisjes op zondag 6 juli 1947 was volgens Staal 'een prachtig succes': 600 meisjes uit 23 parochies. Omdat het gezamenlijk houden van de stille omgang een te lange colonne zou opleveren, liepen de meisjes in afzonderlijke groepen. De bedevaart der vrouwen, gehouden op woensdag 20 augustus, trok 400 deelnemers. Met een hoogmis, een gesplitste stille omgang en een lof met processie in de kerk was de opzet dezelfde als bij de meisjes.
- In 1948 sloeg het comité de vleugels wijder uit: op zondag 23 mei kwamen de meisjes, op de 26e de vrouwen; bovendien voor het eerst op zondag 20 juni de mannen en op 27 juni de jongens en jonge mannen. Staal noemde de vrouwelijke bedevaarten weer een succes, maar die van de mannen 'zeer matig door gebrek aan actie van de kant der organisaties' die het comité voor de propaganda en aanmelding had willen inschakelen. Het volgend jaar, 1949, telde Staal ongeveer 1100 pelgrims. De mannen vormden 'door hetzelfde euvel als vorig jaar' weer een minderheid. Het tekort was overigens ook bij de geestelijkheid aanwijsbaar: de belangstelling der seculiere geestelijken zou ver beneden de verwachting gebleven zijn.

De bedevaart na circa 1950
- Onder Staals opvolger, Isaias Onings (1949-1958), werd de toon van de propaganda uit Bolsward rustiger. De opzet bleef gelijk. Het programma startte 's morgens half elf met een plechtige mis. Om twaalf uur kregen de deelnemers vervolgens gelegenheid in verschillende café's hun meegebrachte boterhammen op te eten. In de daaropvolgende 'pauze' was er gelegenheid tot bezinning (sinds 1951) over een kerkelijk en maatschappelijk onderwerp (het eerste jaar een gezinstentoonstelling). Daarna deden zij vanuit de kerk de stille omgang, en tot besluit was er een lof. Voor de voorbereiding vormde het Comité een net van correspondenten, vaak bestuursleden van een vereniging. Deze mensen kregen programma's die ze voor twee kwartjes aan aspirantdeelnemers konden verkopen. Op deze wijze konden zij het aantal te verwachten pelgrims opgeven; aan de hand daarvan kon het Bolswarder Comité de mensen verdelen over de herbergen.
- Het Comité te Bolsward propageerde jaarlijks ook een gebedsintentie voor de bedevaart. In 1952 luidde die: 'Voor het behoud en de vernieuwing in onze gezinnen van de aloude Christelijke familiezeden'. Intenties van andere jaren waren: 'Om door Maria's voorspraak te verkrijgen een vrije Kerk in een blijde wereld' (1953), 'Dat Maria de jeugd mag leiden bij de voorbereiding op hun toekomstige taak' (1956), 'Door Maria's voorspraak hulp en kracht af te smeken voor de zwijgende Kerk' (1959), 'Dat het licht en de kracht van het Evangelie steeds meer in heel de mensheid doordringen' (1961), 'Dat er in onze gezinnen meer gebeden mag worden, en voor het welslagen van het concilie' (1962), en 'Mogen de vernieuwingen binnen de Kerk aanvaard, en de liefde en de eenheid onder de Christenen bewaard worden' (1965).

De Friese taal
Voor het bedevaartceremonieel werd gebruik gemaakt van twee talen: Latijn en Nederlands. In de zomer van 1950 - de oorlog in Korea was net uitgebroken - stelde het Roomsk Frysk Boun voor een Friestalige bedevaart voor oud en jong van beiderlei kunne te houden. Als tijdstip koos men de zondag die het dichtst bij 26 september lag, de dag waarop de Friese beweging de slag bij Warns (1345) herdenkt. Pastoor Onings was zelf voor dit initiatief, maar vroeg zich af of hij niet goedkeuring van het bisschoppelijk gezag nodig had. Kardinaal J. de Jong reageerde op 11 september 1950 met bezwaar te maken tegen het gebruik van Fries bij een geregeld terugkerende gelegenheid. Of coadjutor B. Alfrink een jaar later informeel wel goedkeuring gegeven heeft, is niet bekend. In ieder geval is op 23 september 1951 de Friese bedevaart gehouden; niet alleen de preek was in het Fries, maar ook de liederen onder het namiddaglof. Het jaar daarop moesten de meisjesbedevaart en die der mannen uitgesteld worden wegens gevallen van kinderverlamming. Zij werden gecombineerd met de Friese bedevaart in september en kregen daarmee een tweetalige opzet. Op den duur sleet de belangstelling; de laatste Friese bedevaart op 29 september 1963 telde slechts vier deelnemers.

Herkomst bedevaartgangers
- Getallen over de verhouding tussen Bolswarders en deelnemers van elders zijn amper te vinden. Alleen over de vrouwenbedevaart is wat meer bekend. In 1947 heette het dat van de 400 vrouwen de helft uit de parochie Bolsward kwam. In 1955 kwamen uit Bolsward 67 meisjes, uit Workum 14, uit Harlingen 8, en uit Sneek 5, en via de Jonge Boerinnenbond nog eens 10 uit diverse plaatsen: samen 104. In datzelfde jaar nam de eigen parochie 85 programma's voor de vrouwenbedevaart af, de rest van het decanaat Sneek betrok er 67, het decanaat Leeuwarden 33 en Heerenveen 17. Daar verschillende deelnemers hun programma niet in de voorverkoop kochten maar op de dag zelf, lijkt het totaal dat de krant Ons Noorden opgaf (500) reëel.
De meisjesbedevaart van 1956 lijkt een beperking tot de eigen parochie aan te kondigen: 93 uit de stad en 14 uit de naaste omgeving via de Boerinnenbond, uit Bakhuizen 5,uit Workum 3 en uit Sneek 2. In de andere parochies had niemand op de uitnodiging gereageerd Het Comité merkte op dat een aantal meisjes de stille omgang niet graag liep vanwege het openbare, belijdende karakter.
- Om meer jeugd te trekken beproefde men veranderingen. Op zaterdag 17 mei 1958 werd een bedevaart voor jongens en meisjes gehouden, met een avondmis om half acht en daarna de stille omgang. Men meldde 160 deelnemers, grotendeels uit stad en omgeving. De volgende jaren ging het ook zo. Het aantal zakte tot ongeveer 100 in 1961. Om die reden verschoof het Comité de jongerenbedevaart in 1962 naar de zondagmorgen. Na een korte preek om zes uur ging men op pad voor de stille omgang: 'op dit vroege tijdstip hoeft men zich op straat niet te schamen'. Om zeven uur konden de deelnemers dan de eerste parochiemis bijwonen.

Teruggang
- In 1963 heette het dat de vrouwenbedevaart (niet op woensdag maar op dinsdag) 'een goed tal' deelneemsters trok. De toeloop uit de stad had volgens de organisatoren echter beter kunnen zijn als alle groepen in de voorbereidingstijd ook echt vergaderd hadden. In 1964 viel Ons Noorden als kanaal voor de berichtgeving uit, waardoor de belangstelling 'steeds minder' werd. Men wilde ook van het pauzeprogramma af om een tijdje 'gezellig samen' te kunnen zijn.
In maart-april 1966 besprak het Bolswarder comité de teruglopende belangstelling met de contactpersonen der verschillende organisaties. Daarbij bleek groot verschil van mening. De plattelandsorganisaties van vrouwen bepleitten voortzetting in de bestaande vorm, maar het Katholiek Vrouwengilde was minder enthousiast. Van de contactpersonen uit de provincie Groningen vond een grote meerderheid dat bedevaarten uit de tijd waren. De weinigen die voortzetting wensten, meenden dat de wijze van viering zou moeten worden aangepast aan de tijd. Jo Merkx, secretaresse van de Katholieke Plattelandsvrouwen Organisatie te Arnhem, die al enkele jaren veel voorbereidend werk gedaan had, meldde dat de Unie van Katholieke Vrouwenbewegingen in het aartsbisdom al twee of drie jaar geen bedevaarten meer organiseerde. Anderzijds wist zij te melden dat sommige bedevaarten nog een goede toeloop hadden, zoals die naar ⟶ Renkum (ongeveer 600) en ⟶ Silvolde (ongeveer 1200). Deze beperkten zich echter tot een middag of een avond.
- De voortdurende inkrimping moest leiden tot een einde. Daarmee raakte ook het in 1944 gelanceerde kapelplan van pastoor Staal op de achtergrond. Staal had aan de architect van de Franciscuskerk, H.C. van de Leur te Nijmegen, opdracht tot het maken van een eerste ontwerp gegeven. In de loop van 1946 heeft Van de Leur schetstekeningen en een begroting ingezonden, De kapel zou aan de noordzijde van de kerk onder hetzelfde dak aangebouwd worden. De begroting kwam uit op ruim ⨍56.000,-, ongeveer het dubbele van het beschikbare fonds. Maar tussen ontwerpen en bouwen lag een grote afstand: er was te weinig grond beschikbaar, en het Rijk zou een bouwvergunning moeten geven. Het provincialaat van de franciscanen in Nederland had geen bezwaar. Maar daarmee, augustus 1947, houdt de briefwisseling op.
In de volgende jaren groeide het fonds nog, maar na 1959 kwamen er geen giften meer binnen. Alleen rente leverde nog inkomsten op. Ook de omstandigheden veranderden. Vandaar dat pastoor Thaddeus Ros (1967-1973) aan een moraaltheoloog de vraag stelde naar de betekenis, inhoud en draagwijdte van de (in 1945 gedane) belofte. Hij overwoog besteding van het fonds aan een Mariakerk in de missie, maar veel parochianen wilden het geld, ongeveer ⨍35.000,-, aan een orgel besteden. Het antwoord luidde dat dit laatste een 'ondervervulling van de belofte' zou zijn: de kosten voor het orgel zou men anders ook moeten opbrengen. In ieder geval moest de pastoor de zaak aan de parochie voorleggen. In november 1968 heeft Ros een enquête gehouden, waarbij de gedachte aan besteding voor een kerk in de missie 93% van de stemmen kreeg. Spoedig was een bestemming gevonden: Kokonao op Irian Jaya (Indonesië), het centrum van de Mimika, waar de oud-Bolswarder minderbroeder Eelco Bruinsma pastoor was. Aldus is geschied.
- Aan het afzien van kapelbouw was wel het verlangen verbonden de al te bescheiden opstelling van het beeld achter in de kerk te verbeteren. In het voorjaar van 1970 is dat in orde gebracht. Voortaan zou het Katholiek Vrouwengilde de verzorging op zich nemen.
- Het originele beeld staat anno 1996 nog in de kerk van Bolsward en elk jaar is er in mei een speciale eucharistieviering waarbij de aanwezigen, voornamelijk parochianen, de Lieve Vrouw nog met gebed en kaarsen eren.
Materiële cultuur - 1 In 1990 (het Willibrordjaar) werd er door de Bulgaarse beeldhouwer Wladimir Zlatkov een kopie van O.L. Vrouw van Zevenwouden gemaakt. Het werd aan de paus aangeboden, die het weer aanbood aan de Kerk van de Friezen in Rome; 2 een vrijwel rechthoekige bedevaartmedaille (2x3 cm) met in reliëf beeld en troon, was na de oorlog verkrijgbaar.

Devotioneel drukwerk
- Devotieprentjes: 1 Prentje (10 x 6,5 cm) met fotografische (bruin) afbeelding van de madonna met kind, gezeten op de zilveren troon. Onderschrift: 'Onze Lieve Vrouw van Sevenwouden te 'Bolsward'. Op de keerzijde een gebed tot Maria, een imprimatur d.d. 4 april 1924 en tussen haakjes de vermelding: '100 dagen aflaat'; 2 prentje (10 x 7 cm) met fotografische (zwart-wit) afbeelding van de madonna met kind, gezeten op de zilveren troon. Op de keerzijde dezelfde vermelding (gebed, imprimatur en aflaat) als op het bruine prentje. Het zwart-wit prentje is echter jonger, omdat hierop rond het beeld ook de nis zichtbaar is waarin het na 1932-1934 is geplaatst; 3 prentje (11 x 6,5 cm) met een foto van het Mariabeeld en op de achterzijde de tekst: 'Aandenken aan uw medebouwer van de Friesche Carmel. Zrs. Ong. Carmelitessen van Drachten (Fr.)'; 4 prentje (10,5 x 6 cm) met een zwart-wit afbeelding vervaardigd naar voorbeeld van een schilderij dat de karmelites Martina van der Meer maakte van de madonna. Rechts naast de madonna is een oude kapel zichtbaar. Op de keerzijde van dit prentje, dat van 1950 dateert, is dezelfde tekst aangebracht als op de twee oudere prentjes; 5 prentje (10,5 x 6 cm) met een kleuren afbeelding, vervaardigd naar een origineel van Martina van der Meer. Rechts van de madonna een (middeleeuwse) kerk in plaats van een kapel; daarachter een zeilboot op het water met in de verte nog een kerk en enkele huizen. Op de keerzijde geen tekst. Ook dit prentje dateert van 1950 of later.
- Bedevaartboekje: van 1945 tot 1973 fungeerde als bedevaartboekje, het enkele malen herdrukte: Siardus de Vries, De Friesche Lieve Vrouw (Harlingen 1945) met een historische schets van de devotie en het beeld, enkele gebeden, liederen en aanwijzingen voor de stille omgang.


Bronnen en literatuur Archivalia: De belangrijkste bron voor de kennis van de 16e-eeuwse devotie vormt het mirakelboek, dat in twee afschriften is overgeleverd. Het oudste, een 'copia copiae copiae' uit 1808, die verwijst naar een hs. uit 1611, wordt bewaard in het archief der franciscaanse minderbroeders in Nederland te Utrecht. Het is overigens nog niet aan een nadere studie onderworpen. Het jongste, vermoedelijk een afschrift van dat uit 1808, dateert uit 1890 en bevindt zich in het archief van de r.k. St. Franciscusparochie te Bolsward. Een gedeelte is gepubliceerd, met een korte inleiding, door T. Brandsma in zijn rubriek 'Frisia Catholica' in Ons Noorden van 30 april 1938. De gehele tekst van het afschrift van 1890 werd uitgegeven door J. Visser onder de titel: 'It Boalserter mirakelboek fan Us Leaf Frouwe van Sawnwâlden', in: Folkskundich Jierboek 1 (1966) p. 7-27. Het handschrift uit 1613 met de verwijzing naar 'de wolden', is te vinden in de Provinciale Bibliotheek van Friesland te Leeuwarden, onder signatuur 65 M Hs. Een beschrijving van het beeld biedt B. Knipping in een hs. uit 1942 in het archief van de St. Franciscusparochie van Bolsward,gemeentearchief Bolsward.
De beschrijving van de verering in de 20e eeuw is eveneens geput uit dit parochiearchief, nrs. 105-110, 264-287, 656-659, 716-742, en voorts uit het archief van de bisschop van Groningen (retroacta uit het archief van de aartsbisschop van Utrecht), Rijksarchief in Groningen, archief 159, bundel 29/2.
Tekstedities: Peter Jacobszoon van Thabor, Historie van Vriesland, H. Amersfoordt en H.W.C.A. Visser ed., in: Archief voor vaderlandsche, inzonderheid Vriesche geschiedenis, oudheid- en taalkunde 1 en 2 (1824-1827; herdr., met een inl. door R. Steensma (Leeuwarden: Fryske Akademy, 1973)) p. 1-110; J.G. Ottema ed., Worp van Thabor, Kronijk van Friesland [boeken IV en V] (Leeuwarden: Friesch Genootschap, 1871); P. Winsemius, Chronique ofte historische geschiedenisse van Vrieslant (Franeker: by Ian Lamrick, 1622); P. Winsemius, Historiarum Frisiae gestarum libri septem, dl. 4 (Leeuwarden: Claudius Fontanus, 1646) p. 457; Chr. Schotanus, 'Tablinum, dat is: brieven ende documenten dienende tot de Friesche historie', in: P. Winsemius, De geschiedenissen kerckelyck ende wereldtlyck van Friesland Oost ende West (Franeker: by Ian Boudewyns Wellens, 1658) p. 21.; J.J. Kalma ed., Een kerk in opbouw. Classisboek Bolsward/Workum, 1600-1633 (Leeuwarden: Fryske Akademy, 1981); G. Verhoeven en J.A. Mol ed., Friese testamenten tot 1550 (Leeuwarden: Fryske Akademy, 1994) p. 216, nr. 110 (1525).
Literatuur: J.A.F. Kronenburg, Maria's heerlijkheid in Nederland, dl. 6 (Amsterdam: Bekker, 1909) p. 432-435; T. Brandsma, 'Het beeld van Onze Lieve Vrouw te Bolsward', in: Carmelrozen 7 (1918) p. 37-40; R. Burgers, De statie der paters Minderbroeders te Bolsward (Groningen: Ons Noorden, 1924); T. Brandsma, 'De Friese Lieve Vrouw', in: Ons Noorden (oktober 1940); S. de Vries, De Friesche Lieve Vrouw (Harlingen 1945); D.P.R.A. Bouvy, Middeleeuwsche beeldhouwkunst in de Noordelijke Nederlanden (Amsterdam: Balkema, 1947); J.J. Kalma, 'It Mirakelboek en de Marijefoarearing yn de 16de ieu', in: Folkskundich Jierboek 1 (1966) p. 28-32; H.A.M. Andela, 'Het Bolswarder mirakelboek van O.L. Vrouw van Sevenwouden: herkomst, geschiedenis en vermoedelijke auteur', in: It Beaken 35 (1973) p. 145-151; H.A.M. Andela, 'De relaties tussen het beeld van O.L. Vrouw van Sevenwouden, het z.g. Mirakelboek en de voormalige kapel op de Post te Bolsward', in: Publicaties van de Friese kerkhistorische Vereniging 'Folk en Tsjerke' (1973) p. 115-157; H.A.M. Andela, Zeven eeuwen Minderbroeders (Bolsward: Het Witte Boekhuis, 1976); D. van Weezel Errens, 'Onze Lieve Vrouw van Zevenwouden. Oudste straatverlichting en devotiebeeld', in: Keppelstok 5 (1991) p. 31-41; G. Verhoeven, Devotie en negotie. Delft als bedevaartplaats in de late middeleeuwen (Amsterdam: VU-uitgeverij, 1992) passim; Henk Nota, Geschiedenis van Onze Lieve Vrouw van Sevenwouden te Bolsward. Bolsward: Stichting Archief- en Documentatiecentrum voor R.K. Friesland, 2009; 78 p.).
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Bolsward; Meertens Instituut volkskundige vragenlijst 23 (1959); 64a (1993).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<