Utrecht, H. Maarten (Martinus) / andere heiligen

Cultusobject: H. Maarten (Martinus) / andere heiligen
Datum: 11 november (Maarten); diverse andere feestdagen
Periode: ca. 1250 - ca. 1580
Locatie: Kathedrale kerk van St. Maarten (Domkerk; thans N.H.)
Adres: Achter de Dom, 3512 JN Utrecht
Gemeente: Utrecht
Provincie: Utrecht
Bisdom: Utrecht
Samenvatting: Ten aanzien van de cultus rond de relieken van St. Maarten en van andere heiligen uit het bezit van de Utrechtse Dom valt op hoezeer economische motieven hierbij hebben meegespeeld. De bisschop en het domkapittel beoogden namelijk door het aantrekken van pelgrims een inkomstenbron te creëren voor de financiering van de bouw van de Dom, waarmee in de tweede helft van de 13e eeuw is begonnen. Deze opzet is echter maar ten dele geslaagd. Hoewel bezoekers uit Utrecht en omgeving gedurende eeuwen de Dom bezochten en incidenteel bedevaarten naar de Dom werden opgelegd, is de kerk ondanks de aanwezigheid van belangrijke relieken van St. Maarten en de vele relieken van andere heiligen nooit tot een groot bedevaartoord uitgegroeid. Met het verbod op de uitoefening van de katholieke eredienst in 1580 behoorde de reliekenverering in de Dom definitief tot het verleden.
Auteur: Frans Rikhof
Illustraties:
Topografie - Over de oudste vorm van de Dom is weinig of niets bekend. In 857 is zij door de Noormannen grondig verwoest. Pas in de jaren na 920, toen de bisschop het weer veilig achtte om in Utrecht te resideren, is zij herbouwd. Naderhand, respectievelijk in 1017, 1131 en 1148, is zij door brand beschadigd. Kennelijk is bij de eerste twee branden de schade beperkt gebleven, omdat de Dom in 1023 en in 1132 alweer herwijd is. De derde keer vergden de herstelwerkzaamheden meer tijd en werd de kerk pas op 22 juli1173 opnieuw ingewijd. Deze dag gold sedertdien als de officiële kerkwijdingsdag. In 1253 was de Dom als gevolg van een grote stadsbrand zo zwaar aangetast, dat men besloot tot nieuwbouw in gotische stijl. Omstreeks 1295 kwam de eerste fase, de kapellenkrans aan de oostzijde, gereed. Daarna vorderden de werkzaamheden langzaam maar gestaag, totdat in 1517 de nieuwe Dom voltooid was. De constructie van het schip bleek van slechte kwaliteit te zijn en is het tijdens een windhoos in augustus 1674 ingestort. Tegenwoordig resteert alleen het koor, het transept, de toren en de kooromgang met een deel van de belendende gebouwen, gelegen in het hart van Utrecht, tussen de Oude en de Nieuwe gracht.
Cultusobject St. Maarten
- St. Maarten (ca. 316 - 397), bisschop van Tours, was een van de populairste middeleeuwse heiligen. Hij was geboren als zoon van een heidens magistraat te Pannonië (Hongarije). Reeds als kind was hij geïnteresseerd in het Christendom en werd hij catechumeen. Bekend is een voorval uit zijn jonge jaren: op 15-jarige leeftijd, toen hij reeds Romeins soldaat was, schonk hij voor de stadspoort van Amiens aan een bedelaar de helft van zijn mantel. Op 18-jarige leeftijd liet Maarten zich dopen, waarna hij het leger verliet. In 371/372 werd hij tot bisschop van Tours gekozen. Mede door zijn daad van naastenliefde werd hij een van de bekendste heiligen in de middeleeuwen, aangezien deze daad door kunstenaars het meest is gebruikt bij hun verbeelding van de heilige. Na zijn overgang tot het Christendom verliet Martinus het Romeinse leger en wijdde hij zijn verdere bestaan aan een godvruchtig leven, waarin hij onder andere de kloosters Marmoutier en Ligugé stichtte en het tot bisschop van Tours bracht. Tot aan zijn overlijden heeft hij dit geestelijk leiderschap bekleed. Reeds tijdens zijn leven had hij de reputatie van wonderdoener, met name als genezer van melaatsen. De naderhand door Sulpicius Severus en Gregorius van Tours geschreven vitae hebben in belangrijke mate bijgedragen tot zijn populariteit, wijdverbreide verering en veelvuldige naamgeving aan kerken. Zo was St. Maarten de nationale heilige van de Franken en lieten hun koningen bij voorkeur de kerken op hun domeinen aan hem toewijden. Naast de overbekende scène van Martinus met de bedelaar, wordt hij soms ook afgebeeld met een gans, aangezien hij de schutspatroon van dit dier was.
- Omstreeks 1175 verzocht het domkapittel het zusterkapittel van St. Maarten te Tours om enkele overblijfselen van hun beider patroonheilige. Het Tourse kapittel, dat vanwege de groeiende populariteit van 'zijn' heilige wel meer van zulke vragen ontving, hield echter zoveel mogelijk de boot af. De Utrechtse Dom ontving geen botten maar slechts enkele kledingstukjes en wat grafstof met de verontschuldiging, dat er niets kostbaarders voorhanden was. De Tourse confraters benadrukten wel, dat zij gewoonlijk nimmer positief reageerden op verzoeken om relieken maar zij ditmaal vanwege de bijzondere band tussen beide kapittels met de hand over het hart gestreken hadden. In Utrecht was men daarom niet ontevreden met het bereikte resultaat en als tegenprestatie zouden in de Dom voortaan jaarlijks op 10 juli de overleden Tourse kanunniken plechtig herdacht worden.
- Na veel (financiële) pijn en moeite verwierf het kapittel in 1519 alsnog een stuk armbot van St. Maarten uit het St. Leodegariusklooster te Cognac, dat het moest delen met de kerken te Emmerik en Halle.

Andere heiligen
- Relieken maakten een onmisbaar onderdeel uit van de liturgische inrichting van de Utrechtse Dom. Behalve relieken van St. Maarten waren in de altaren die in deze kerk waren gesticht, vele andere relieken van heiligen geplaatst. Hierover worden we tamelijk uitvoerig ingelicht in een uit de 16e eeuw stammende beschrijving over de plechtige inwijding in 1173 van de herstelde Domkerk. In het aan Jan de Doper, Thomas en Maarten gewijde hoofdaltaar, dat dateerde uit de 10e eeuw en de verschillende branden vrijwel ongeschonden had overleefd, waren relieken aanwezig van een keur aan heiligen. Aan de reeds in de 10e eeuw in het altaar geplaatste relieken werden in 1132 die van de apostelen Petrus en Paulus, de martelaren Stephanus, Joris, Marcellinus en Petrus, de belijders Martinus en Severus, en van de martelaressen Agnes en Lucia toegevoegd. In 1178 zijn een ruggewervel van St. Martinus en een flesje met bloed van St. Jan Baptist aan de altaarcollectie toegevoegd. Bij de kerkwijding van 22 juli 1173 werden tegelijk met het hoogaltaar nog drie andere altaren gewijd. En ook hiervan vermeldt het wijdingsverslag de reliekschatten. Het altaar van het H. Kruis bevatte die van de martelaren Blasius, Marcellinus, Pancratius, Petrus, Romanus en Stephanus, en van de maagden Concordia en Juliana. In het O.L. Vrouwealtaar waren naast kledingstukjes van Maria relieken van de 300 Moorse martelaren ('Mauri martyres') bijgezet. Het derde, aan St. Dionysius gewijde altaar bewaarde relieken van deze martelaar, verder van paus en martelaar Urbanus, van Stephanus, de maagd Brigitta en een deel van de kribbe, waarin Jezus gelegen had. Al met al getuigt deze opsomming dat de Dom in het derde kwart van de 12e eeuw reeds een schat aan altaarrelieken bezat. De omvang daarvan zal in de loop der tijd, zeker toen met de ontwikkeling van het kapelaniewezen in de Dom gedurende de 14e en 15e eeuw het aantal altaren fors uitbreidde, alleen maar zijn toegenomen. Zo werden in 1367 in het door domproost Zweder Uterlo gestichte O.L. Vrouwe-altaar stukjes van het H. Kruis, het graf van Jezus en van de tijdens het laatste avondmaal rondgegane kelk, alsmede relieken van de apostelen Petrus, Bartholomeus en Matthaeus, de evangelist Lucas, de maagden Catharina, Agatha en Margaretha, de bisschoppen Nicolaas, Theobald, Willibrord, Lazarus en Liudger, de martelaren Mauritius, Cyriacus, Victor en Projectus, de H. Onnozele Kinderen, de Elfduizend Maagden en van de 300 Moorse Martelaren geplaatst.
- Naast een collectie aan altaarrelieken bezat de Dom nog een tweede verzameling heiligenrelicten. Deze relieken werden voor andere doeleinden gebruikt: religieuze verering en vertoning aan de geestelijkheid en het gelovige volk. Wanneer begonnen is met de opbouw van de collectie, valt niet met zekerheid vast te stellen. De vroegst bekende verwervingen dateren evenwel reeds uit de 10e eeuw. In 963 verwierf bisschop Balderik voor de kathedraal de relieken van de Romeinse martelares Agnes en van St. Benignus. Drie jaar later, in 966, wist hij de hand te leggen op enkele delen van het stoffelijk overschot van St. Pontianus van Spoleto, St. Urbanus en het uit St. Odiliënberg afkomstige lichaam van St. Wiro. De 14e eeuw kroniekschrijver Johannes de Beke schrijft ook aan Balderik de vondst toe, na een mystieke openbaring, van de lichamen van de heilige Werenfridus, Lebuinus, Plechelmus, Otger, Odulf en Radbod. De kerkvorst heeft vervolgens met deze relieken de 'Utrechtse kerk' (bedoeld hiermee zijn de Dom en Oudmunster) 'versiert'.
- In 1422 kreeg de Dom via domproost Zweder van Kuilenburg het hoofd van St. Adrianus van de Norbertijner abdij Mariënweerd nabij Culemborg ten geschenke. De overdracht kwam mede tot stand, omdat Zweder innige relaties onderhield met de abdij. Bovendien zou het kostbare voorwerp in de Dom meer in de religieuze schijnwerpers staan dan in de abdij, waar de monniken, zo verhaalt Beke, er geringe eer aan bewezen.

Reliekenlijsten
- Ondanks de spaarzame berichten daarover bleek het domkapittel in de loop der eeuwen een grote verzameling relieken te hebben opgebouwd. Twee lijsten, opgemaakt in de 16e en 17e eeuw, verschaffen ons, tezamen met de weinige bewaard gebleven inventarissen van de Domsacristie, inzicht in de omvang en samenstelling van de reliekenschat, die was geborgen in reliekhouders ('capsae'), kassen ('cistae'), etuis ('pixides'), monstransen ('monstrancie'), kruisen ('cruces') en draagbaren ('feretra'). Vanwege het belang van de kerk en zijn reliekenschat en de functie van de relieken is het zinvol deze lijst hier op te nemen. Al deze relieken werden namelijk in de late middeleeuwen in meer of mindere mate ingezet bij het aantrekken van pelgrims naar de Dom.

Omstreeks 1525 omvatte de reliekenschat:
o = relieken vermeld in de lijsten uit de l6e en 17e eeuw (RAU Dom, inv. nr 419).
¶ = relieken vermeld in de sacristie-inventaris van 1504 (RAU Dom, inv. nr. 2505) en voor het merendeel in de lijsten uit de 16e en 17e eeuw.

o een grote witte kas, gemerkt met de letter A, met onder meer fragmenten van de kleding en de lijkwade van Jezus, olie, die op miraculeuze wijze uit een Mariabeeld was gevloeid, een door een engel aan St. Maarten overhandigde pateen, bloed van St. Jan Baptist, een kledingstuk van St. Jan Evangelist, lichaamsdelen van St. Maria Magdalena, botten van St. Petrus, bloed van St. Paulus, een stuk van het hoofd van St. Jacobus maior, olie uit het graf van St. Nicolaas, relieken van de HH. Brigitta, Pynnosa en Kunigunde, een deel van de kelk, die Jezus gebruikt had tijdens het laatste avondmaal, botten, kooltjes en kledingfragmenten van de martelaar Laurentius, een stuk van de arm van de martelaar Mauritius, kledingstukken van St. Joris en de hoofdkruin van St. Wiro;
o een witte rechtop staande reliekhouder, gesigneerd G, met daarin relieken van St. Remigius, bisschop van Reims, geborgen;
o een vierkant wit kasje, gemerkt H, en een wit ronde met I gesigneerd etui met niet nader gespecificeerde relikwieën van verschillende heiligen;
o een vierkante, witte kas met de letter B, waarin zich bevonden een tand van de martelaar Stephanus, alsmede een steen, waarmee hij gestenigd was, tezamen met drie tanden en diverse relieken van andere heiligen;
o kooltjes, waarmee de martelaar Laurentius indertijd geroosterd was, bewaard in een bewerkt en rechtop staand kasje, dat gemerkt was met L;
o een met het opschrift M houten schaaltje met gesteente van het graf van St. Maarten;
o relieken van bisschop Willibrord, bestaande uit fragmenten van zijn vlees, botten, kazuifel en schoeisel, bewaard in een met fijn linnen omwikkeld en met N gemerkt etui;
o een rode langwerpige reliekhouder met de letter O in de vorm van een draagbaar, met daarin achtereenvolgens stukken van het H. Kruis, het graf van Jezus, relieken van de apostelen Petrus, Bartholomeus en Mattheus, de maagden Catharina, Agatha en Margaretha, de bisschoppen Nicolaas Theobald, Lazarus, Liudger en Willibrord, de martelaren Mauritius, Cyriacus, Victor en Projectus, de door koning Herodes gedode Onnozele Kinderen, de Elfduizend Maagden en 300 Moorse martelaren. De treffende overeenkomst met de hierboven door domproost Zweder Uterlo geschonken relieken doet overigens het sterke vermoeden rijzen, dat zij in de 15 eeuw voor het grootste deel niet langer altaarrelieken waren, maar tot devotierelieken waren bestemd;
o een eveneens rode, met P gesigneerde reliekhouder, bevattende merkwaardige relieken van vele heiligen, van wie, zoals de samensteller van de lijst meedeelt, 'de namen niet bekend zijn op aarde maar geschreven zijn in het levensboek in de hemel' ('quorum nomina non sunt nota in terris sed scripta in libro vita in celis');
o een klein kruis, dat elke vrijdag op het zogeheten 'aflaataltaar' werd geplaatst, met daarin een stukje van het H. Kruis;
o een monstrans met een afbeelding van O.L. Vrouw (A) waarin een fragment opgenomen was van de zuil, waaraan Jezus tijdens de geseling vastgeketend was, en relieken van de apostel Petrus en bisschop/martelaar Blasius.
¶ een zilveren monstrans van St. Pontianus (B) met daarop zijn vergulde afbeelding, bevattende onderdelen van zijn lichaam;
¶ een zilveren monstrans van St. Laurentius (C) met een deel van diens arm;
o een monstrans van St. Jacobus (D), die ergens in het najaar 1520-voorjaar 1521 door Wouter Splintersz., executeur-testamentair van Domkanunnik Arnoldus Crusinck († ca. 1513), aan de Dom verkocht was en een reliek van St. Andreas herbergde;
o een andere met de beeltenis van O.L. Vrouw versierde monstrans (E), die haren van Maria en St. Agnes, en delen van het gewaad van St. Hubertus bevatte:
¶ een monstrans van St. Blasius (F) met daarin een stuk van diens onderkaak en eveneens wat haar van Maria;
¶ een monstrans van St. Apollonia (G) met er bovenop haar beeltenis in zilver en daarin geplaatst een tand;
¶ een verguld zilveren beeld van St. Bartholomeus (H) met in de handen enige haren van deze apostel;
o een beeld van St. Margaretha (K), dat een deel van haar botten bevatte;
¶ de hamer van St. Maarten (J), waarmee hij ooit de duivel had geslagen;
o een door bisschop Jan van Arkel (1342-1364) aan de Dom geschonken kruis van verguld zilver met daarin een stukje van het H. Kruis, wat hoofdhaar van St. Agnes, kledingfragmenten van St. Maarten, de martelaar Stefanus en van de in 1170 vermoorde aartsbisschop van Canterbury, Thomas Becket.
o een reliekhouder in de vorm van het hoofd van St. Blasius (H) met daarin enkele relieken;
o een reliekhouder in de vorm van het hoofd van paus/martelaar St. Urbanus (F)
o een reliekschrijn van dezelfde Urbanus (E), waarin enkele van zijn overblijfselen en van St. Joris werden bewaard;
o een schrijn van de martelaar Benignus (G), die naast diens relieken ook die van de bisschop Aurelianus en vele andere heiligen bevatte;
o een verguld zilveren tabernakel of ciborie met koperen voet, genaamd de 'toren van St. Maarten' (J), waarin twee botjes van deze heilige;
o een klein model van de kerststal te Bethlehem (B), vervaardigd van puur goud en versierd met kostbare edelstenen, dat bisschop David van Bourgondië op 28 oktober 1489 geschonken had, met daarin enkele haren en kledingfragmenten van Maria;
o het grote kruis (A), bevattend in het bovenaan een stukje van het H. Kruis, in het midden een reliek van de evangelist Lucas, onderaan een van de martelaar Vincentius, rechts van Maria, links van St. Barbara en in de voet kleding van de HH. Maarten en Joris. Waarschijnlijk is dit kruis identiek met dat beschreven in de sacristie-inventaris van 1504, waarin sprake is van een groot verguld zilveren kruis, waarin het 'hout Gods' geplaatst is en waar op de voet een afbeelding van St. Maarten te paard is aangebracht.;
o een in 1504 op last van het domkapittel door de goudsmid Abel van der Vechte vervaardigde zilveren reliekhouder ter berging van het in 1422 verworven hoofd van St. Adrianus;
o een reliekschrijn in de vorm van het hoofd van de martelaar St. Elisius;
o een leren zak met niet minder dan 62 relieken van verschillende heiligen, waarvan de namen vanwege de hoge ouderdom niet meer leesbaar waren;
o de reliekschrijnen van St. Agnes, waarin haar lichaam bewaard werd;
o de reliekschrijn van St. Pontianus, eveneens met het lichaam en vele andere relieken;
o de reliekschrijn van St. Wiro, waarin naast relieken van deze heilige ook een steen en tand van de martelaar Stefanus en relieken van de HH. Nicolaas, Margaretha, Joris, Christophorus, Blasius, Quirinus, Juliana, Eligius, Ursinus, Thomas, Maria, Ignatius, alsmede een van de spijkers, waarmee Jezus aan het kruis genageld was, een stuk van het hoofd van de aartsvader Abraham en fragmenten van het kazuifel, corporale en de sandalen van St. Willibrord geborgen waren;
o een ivoren reliekhouder met daarin een stukje van het H. Kruis en relieken van St. Maarten;
¶ een zilveren deels vergulde monstrans met relieken van St. Agnes;
¶ een zilveren monstrans, waarop aangebracht een afbeelding van St. Maarten en daarin geplaatst een stuk van zijn schedel en een duim;
¶ een ivoren urn met daarin een verzilverde kinnebak;
¶ een behoorlijk grote monstrans met een gewicht van 72 loot zilver, waarop een vergulde afbeelding van een adelaar op een ronde kristal is aangebracht;
¶ een verguld tafeltje met beelden van Maria en St. Jan Baptist;
¶ een zilveren monstrans met een afbeelding van St. Philippus in een venster, waarin verschillende relieken van St. Philippus, de gezellen van St. Mauritius, de maagd Paulina en van andere heiligen zijn opgenomen;
¶ een kleine ciborie in de vorm van een tafel, waarbinnen een met parels ingelegd gouden kruis is geplaatst, dat op zijn beurt weer een stukje van het H. Kruis, dat door domproost Zweder Uterlo was geschonken, bevat;
¶ een omstreeks 1500 vervaardigde monstrans met een gewicht van ongeveer vijf mark en drie loot zilver, versierd met diverse edelstenen en een afbeelding van St. Maarten en bevattende verschillende relieken van deze heilige. Het materiaal voor deze monstrans was afkomstig van enkele oude monstransen en van domkanunnik en fabrieksmeester Jan Foyt;
o ten slotte bezat de Dom nog een grote hoeveelheid haar van heiligen, waarvan verder niet vermeld is hoe ze waren opgeborgen.
Verering - In de Noordelijke Nederlanden was de meest bekende aan St. Maarten gewijde kerk de Utrechtse Dom. Deze kerk was omstreeks 700 gesticht door de eerste Utrechtse bisschop Willibrord en vormde samen met de naburige St. Salvatorkerk (ook wel Oudmunster genoemd) een dubbelkathedraal, een fenomeen dat in die tijd niet ongebruikelijk was. Aanvankelijk voerde St. Salvator de boventoon maar in de loop van de 8e eeuw is het primaat verschoven naar de St. Maartenskerk. Vervolgens is in de 10e eeuw een complete scheiding tussen beide kerken doorgevoerd. Aan de Dom was een kathedraal kapittel van uiteindelijk 37 geprebendeerde kanunniken verbonden, die als voornaamste taak hadden het uitvoeren van lofprijzing Gods ('laus dei') door het zingen van het koorgebed, vieren van missen en het uitvoeren van andere liturgische handelingen.

Hoge middeleeuwen
- Over de wijze waarop de relieken van de domkerk werden vereerd in de hoge middeleeuwen is nagenoeg niets bekend. De enig overgeleverde en daarmee tegelijk voornaamste bron met betrekking tot het gebruik van de domrelieken in deze periode is de 12e-, vroeg 13e-eeuwse Ordinarius, waarin de volgorde en uitvoering van de erediensten is genoteerd. Van een expliciete verering van relieken door pelgrims is in de Ordinarius geen sprake; wel daarentegen van een liturgisch gebruik door de domgeestelijkheid. Zo werden op een aantal van de belangrijkste hoogtijdagen, d.i. Allerheiligen (1 november), St. Maarten (11 november), Kerstmis (25 december), van St. Stephanus (26 december) tot en met Circumcisio (1 januari), Epiphania (6 januari), Paaszaterdag, Pasen en het octaaf van Pasen, Pinksteren met het octaaf en Maria Magdalena (22 juli, kerkwijdingsdag), reliekschrijnen gebruikt voor de versiering van het aan St. Maarten gewijde hoogaltaar. Opvallend hierbij is dat daarin een belangrijke plaats was ingeruimd voor de schrijn van St. Wiro en niet voor de relieken van St. Maarten. Deze schrijn werd op het hoogaltaar geplaatst, waarop een andere, niet nader beschreven reliekhouder werd gezet. Vervolgens kwam daarop soms de schrijn van bisschop Godfried van Rhenen (1156-1178), een beeld van een engel met het kruis of een verguld tafeltje te staan. Rondom deze stellage werden prachtexemplaren van boeken en kandelaars opgesteld. Op Kruisvinding (3 mei) en Kruisverheffing (14 september) werd hiervoor niet het hoogaltaar maar het houten H. Kruisaltaar gebruikt, dat aan het westeinde van het romaanse domkoor stond. Los van altaaropsmuk werden reliekschrijnen ook gebruikt bij sommige processies. Op Marcus Evangelist (25 april) vond een processie plaats met onder meer twee vaandels, drie ivoren reliekkistjes en de schrijnen van St. Pontianus en St. Agnes. Tijdens de Kruisdagen, de drie dagen - later uitgebreid tot de gehele week - voor Hemelvaart, vond iedere dag een religieuze optocht plaats, waarbij alle kanunniken van de Utrechtse kapittels tegenwoordig waren en ondermeer de Nicolaas-, Geerte- en Jacobskerk werden bezocht. In deze processies moesten naar opgave in de Ordinarius uit de domcollectie drie zwarte schrijnen, omhuld met witte handdoeken, alle vaandels en reliekschrijnen worden meegedragen. De reliekkist van St. Pontianus moest speciaal voor die gelegenheid omwikkeld worden met een pallium. Van pelgrims bij deze of andere religieuze gelegenheden is in de Ordinarius in het geheel geen sprake. Een enkele maal spreekt de tekst over de aanwezigheid van 'leken', zoals tijdens de processie op het octaaf van Epiphania (13 januari), als tenminste die dag op een zondag valt, en op Goede Vrijdag. Op Witte Donderdag leidt de bisschop 'zondaars' in de Dom en predikt voor hen. Waarschijnlijk zijn hiermee eveneens leken bedoeld maar in alle drie genoemde gevallen is het onduidelijk of hiermee het aan de Dom verbonden lekenpersoneel, Utrechtse burgers, dan wel pelgrims bedoeld zijn. Vanwege de schaarste aan en onduidelijkheden in de overgeleverde bronnen valt dus niet te bevestigen noch te ontkennen of pelgrims de Dom op hun tocht aandeden. Uiteraard zal het de gelovigen niet verboden zijn geweest de relieken te vereren maar aanwijzingen voor een vanuit de Dom of bisschop gestimuleerde reliekencultus ontbreken volledig.

Financiering van de nieuwe Dom
- Een en ander wijzigde zich na de grote stadsbrand van 1253, ten gevolge waarvan de Dom zware schade opliep. Toen korte tijd later het plan voor een complete nieuwbouw gestalte kreeg, drong zich daarbij onmiddellijk de kwestie rond de financiering van deze grote onderneming op. Het is hier niet de plaats om diep op de diverse vormen van inkomstenvergaring in te gaan maar bij een ervan dienen we in relatie tot het verschijnsel bedevaart toch even stil te blijven staan. De ruggegraat in de bekostiging van de dombouw waren volgens de 14e-eeuwse Utrechtse domkanunnik Hugo Wstinc, een kenner bij uitstek van de heersende regels en gewoonten in de Dom, en in diens voetspoor Vroom in zijn boek over de financiering van de Utrechtse dombouw, de door de gelovigen opgebrachte offergaven. Daaronder vielen ondermeer de giften, die pelgrims en andere kerkbezoekers tijdens hun verblijf in de Dom in de offerblokken deponeerden. Het was het domkapittel er om twee reden veel aan gelegen om gelovigen naar de kerk te trekken. Niet alleen zou een grote stroom pelgrims het aanzien van de Dom doen stijgen maar tevens voor een rijke inkomstenbron voor de dombouw zorgen.
- Op verschillende manieren heeft het kapittel deze doelstelling trachten te realiseren. Voor de gelovigen was het een aantrekkelijk vooruitzicht zijn vrome reis beloond te zien met een aflaat. Het kapittel heeft vanaf de tweede helft van de 13e eeuw meermalen een dergelijke aflaat los weten te krijgen van de paus, Utrechtse en andere (aarts-)bisschoppen. De oudste aflaat, waarbij een kwijtschelding van honderd dagen in het vooruitzicht werd gesteld aan diegenen die op kerkwijdingsdag (22 juli), op St. Maarten (11 november) en de octaven daarvan de Dom zouden bezoeken, is op 2 mei 1265 verleend door paus Clemens IV. De pausen Nicolaas IV en Bonifatius VIII verschaften in 1293 en in 1296 aflaten van een jaar en veertig dagen waarbij eveneens het aantal kerkelijke feestdagen, waarop de aflaat te verdienen viel, werd uitgebreid. Bijna een eeuw nadien, op 28 september 1391, verhoogde Bonifatius IX de aflaatpremie voor de pelgrim aanzienlijk tot drie jaar en vier quadragenen (vier periodes van veertig aaneengesloten dagen), terwijl Eugenius IV in 1432 daar nog een jaar aan toevoegde. Ook de bisschoppen uit omringende diocesen droegen hun steentje bij. De eerste onder hen was bisschop Gerard van Munster, die op 5 juli 1267 een aflaat verleende van een jaar en veertig dagen aan de vrome en gulle kerkbezoekers. In 1288 vaardigden 22 (aarts-)bisschoppen een gezamenlijke oorkonde uit, waarin een aflaat van veertig dagen werd beloofd. Naderhand hebben meermalen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders buiten het Utrechtse diocees nog getracht via het verschaffen van aflaten het kerkbezoek aan de Dom te bevorderen. Het spreekt voor zich, dat de Utrechtse bisschoppen ook op deze wijze hun steentje hebben bijgedragen in het aantrekken van pelgrims, alhoewel ze daarin niet het voortouw hebben genomen. Bisschop Hendrik van Vianden geldt dan wel als de legger van de eerste steen maar daartoe bleef zijn rol, voor zover de geschiedbronnen ons onthullen, dan ook beperkt. Pas zijn opvolger, de elect Jan van Nassau, ondernam - rijkelijk laat in zijn bewind - stappen ter bevordering van de pelgrimage vanwege de vermeende financiële voordelen van de Dombouw. In 1288 vaardigde hij het zogeheten 'mendicatorium' (bedelbrief) uit, waarin een veelheid aan bepalingen, vanzelfsprekend ingebed in een vroom kader, is opgenomen ter stimulering en regulering van de geldtoevoer naar de domfabriek, de administratieve beheerseenheid voor de bouwactiviteiten. In artikel 13 van de oorkonde uit 1288 verklaart elect Jan, dat hij

'op het gezag, dat God ons toestond, barmhartig aan allen, die op Witte Donderdag en op de wijdingsdag van diezelfde kerk, namelijk op het feest van Maria Magdalena, tot het octaaf van beide feesten uit vroomheid naar de vaakgenoemde moederkerk [de Dom] komen en hun aalmoezen op genoemde tijden geven, voor elk van de genoemde feesten afzonderlijk een aflaat toe
[-staat] van een jaar en veertig dagen en een boeteperiode van veertig dagen met alle aflaten en gunsten, die toegestaan zijn door de eerbiedwaardige kardinalen, legaten, aartsbisschoppen en bisschoppen, die aanwezig waren bij de wijding van de kerk'.

Velen onder de opvolgers van Jan van Nassau hebben eveneens een 'mendicatorium' het daglicht doen zien, sommigen zelfs meerdere malen tijdens hun regeerperiode. De inhoud kon daarbij verschillen, zoals blijkt uit het bedelbrief van elect Jan van Bronkhorst van 18 december 1322. In deze oorkonde werd namelijk het aantal dagen, waarop pelgrims een aflaat konden verdienen, vermeerderd met Kerstmis, Pasen, Pinksteren, Allerheiligen, de Mariafeesten, de translatie- en sterfdag van St. Maarten (4 juli en 11 november), en met de feestdagen van de apostelen.

Organisatie van de cultus
- Vermoedelijk zal het domkapittel als primair belanghebbende partij een initiërende rol hebben gespeeld in de afkondiging van aflaten en het uitvaardigen van 'mendicatoria'. Het deed echter meer om de aantrekkingskracht van de Dom als bedevaartplaats te vergroten en hiermee zijn we beland bij de organisatie en praktijk van de reliekencultus. Hierin werd uiteraard de reliekenschat ten volle benut. In een in 1522 opgesteld overzicht van den reliekenvertoning en de aantallen kaarsen die daarbij worden gebrand, komt sterk de indruk naar voren van een semipermanente tentoonstelling van heiligenrelicten. Op Kerstdag, de feestdagen van de heiligen Stephanus en Jan Evangelist (26 en 27 december) werden niet nader omschreven relieken tentoongesteld en dienden de kanunniken, die gedurende die week belast waren met de eredienst, een dominicaner of franciscaner broeder aan te trekken om laat in de middag te preken voor het aanwezige volk. Voor zijn diensten zou de monnik beloond worden met een kan wijn, bekostigd uit de offergaven. Juist het aantrekken van een lid van de bedelorden, die zich bij uitstek hadden toegelegd op het preken onder de leken, is een duidelijke aanwijzing, dat deze dienst vooral gericht was op het gewone volk en niet zozeer op de domgemeenschap. Op vele kerkelijke feestdagen konden eveneens de relieken door pelgrims aanschouwd en vereerd worden. Het betrof de volgende dagen:

Paulus' bekering (25 januari), Petrus Stoel (22 februari), Mathias (24 februari), Maria Boodschap (25 maart), Hemelvaart, Kruisvinding (3 mei), Jan de Doper (24 juni), Lebuinus (25 juni), Petrus en Paulus (29 juni), octaaf van Jan Baptist (1 juli), O.L. Vrouw Visitatie (2 juli), Scheiding der Apostelen (15 juli), Jacobus (25 juli), Petrus Banden (1 augustus), Laurentius (10 augustus), Maria Hemelvaart (15 augustus), Bartholomeus (24 augustus), Jan Onthoofding (29 augustus), Kruisverheffing (14 september), Mattheus (21 september), Michael (29 september), Lucas Evangelist (18 oktober), Simon en Judas (28 oktober), Allerheiligen (1 november), Willibrord (7 november), Catharina (25 november), Andreas (30 november) en Nicolaas (6 december).

Speciale aandacht ging op Pontiaansdag uit naar diens relieken, die in het schip werden opgesteld. Evenzo werden op de feestdag van St. Agnes en de gehele week daarop volgend haar relieken tentoongesteld. Overigens hadden de relieken van St. Agnes een speciale status, omdat daar het gehele jaar door kaarsen voor werden gebrand, terwijl dit voor enkele andere reliekschrijnen slechts bij bepaalde gelegenheden geschiedde. De feestdagen van Pontianus en Agnes met de tussenliggende periode waren trouwens in het laatmiddeleeuwse Utrecht een periode van volksfeesten rond beide heiligen. De relieken werden dan door domkanunniken in processie de stad rondgedragen. Op Blasiusdag werden er twee of drie vaten water geplaatst voor het St. Maartensaltaar dat, zoals hieronder duidelijk zal worden gemaakt, een speciale plaats binnen de reliekencultus innam. De domkanunnik die in die week de priesterlijke taken diende waar te nemen, zegende met de relieken van St. Blasius het water. Het doel van deze handelingen blijkt niet uit het document van 1522 maar mogelijk was het water bedoeld als wijwater voor pelgrims. Op Goede Vrijdag vond een soortgelijke ceremonie plaats. Vroeg in de ochtend nam een priester plaats in het schip met twee kaarsen, twee tapijten en een hoeveelheid water, die vervolgens gewijd werd.

Het St. Maartensaltaar
- Hoewel pelgrims ook de vele schrijnen en reliekhouders van andere heiligen konden bezoeken, lag het eigenlijke centrum van de reliekencultus bij het St. Maartensaltaar. Dit altaar was, zo blijkt uit de bijnamen 'aflaetaltaar', 'altaar van den oflaet', 'altare indulgentiarum' of 'indulgentiae beati Martini', speciaal ingericht voor de verkoop van aflaten en de daaraan gekoppelde ontvangst van 'immolaciones', de bijzondere op hoogtijdagen gebrachte offergaven als complement op het vrome kerkbezoek. Wanneer het altaar is opgericht en bestemd voor deze devotionele activiteiten is niet bekend. Wel werd het reeds in 1395 voor deze doeleinden gebruikt. De vroege locatie was ergens in het romaanse schip geweest, totdat het omstreeks 1480 wegens bouwactiviteiten werd verplaatst naar de oostwand van het noordertransept onder het orgel en tegelijk met nog zeven andere altaren werd gewijd door wijbisschop Jan ter Riet. Het kapittel heeft het altaar in de loop der jaren herhaaldelijk laten verfraaien om de uitstraling op de pelgrims te vergroten. Op het altaar stond een bak met daarin een prachtig bewerkte monstrans met de relieken van St. Maarten. In 1511 werd de bak met twee ijzeren tralies afgesloten tegen eventuele diefstal van de kostbare monstrans. Boven de bak bevond zich een vermoedelijk rond 1487 vervaardigde beeldengroep van St. Maarten te paard en de bedelaar. In 1571 werd door de kistenmaker Lucas Hendricksz boven het altaar een verhemelte geconstrueerd waarop de beeldengroep werd geplaatst. Het jaar daarop zijn de beelden gerestaureerd en opnieuw gepolychromeerd. Ter afscherming van de kostbaarheden had het kapittel tussen 1517-1523 verschillende meesters, waaronder de bekende Jan van den Eynde uit Mechelen, opdracht gegeven een koperen hek te ontwerpen. Ondanks de vergevorderde plannen en ontwerpen is om onbekende redenen het plan nimmer gerealiseerd. Met recht kan het altaar van St. Maarten, zoals Vroom opmerkt, 'het devotiecentrum van de fabriek' worden genoemd. De verkoop van aflaten werd afgehandeld door een speciaal hiervoor aangestelde domkapelaan, de 'custos reliquiarium Sancti Martini' of 'indulgentarius'. Tevens hield hij een oog op de inhoud van de offerschaal. Uit de rekeningen van de domfabriek, waarin onder het hoofd 'inkomsten uit de offergaven en (de her en der in de kerk verspreid staande) offerblokken' ('recepta de immolacionibus et de truncis') de opbrengsten vermeld staan, blijkt dat sommige geestelijken, zoals Hendrik van Brienen en Berthold Gerbrandsz, deze taak jaren achtereen hebben uitgevoerd. Voor hun diensten werden zij beloond met een deel van de opbrengsten. In februari 1481 had timmerman Hendrik Quast enkele offerkistjes en een drietal tafeltjes, waarop de aflaatoorkonden bevestigd waren, vervaardigd.

Kerkwijdingsdag met processie
- Het absolute hoogtepunt in de reliekencultus in de Dom vond eens in de zeven jaar op kerkwijdingsdag (22 juli) plaats. Dan werden met groot vertoon en in het bijzijn van de bisschop of bij diens afwezigheid van hoge domgeestelijken alle relieken aan het verzamelde volk vertoond. Deze plechtigheid werd enige dagen tevoren onder klokkengelui op het stadhuis bekend gemaakt. Op de dag zelf volgde een korte processie in de Dom vanuit de sacristie aan de noordzijde van het koor tot de in het koor (?) staande adelaar. Voorop gingen twee dienaartjes met brandende kaarsen, gevolgd door een derde met het wierookvat. Dan kwamen zeven priesters, gehuld in stolen, waarvan de eerste volgens de circa 1525 opgestelde reliekenlijst de relieken van St. Andreas droeg, de tweede de relieken van St. Apollonia, de derde het beeld van St. Bartholomeus, de vierde de monstrans van Maria, de vijfde de monstrans van St. Blasius, de zesde de beeltenis van St. Margaretha en tenslotte de zevende priester het reliekenkruis van bisschop Jan van Arkel. De keuze van de te tonen relieken kon klaarblijkelijk variëren, want in de lijst uit de laat 16e- en begin 17e eeuw, blijkt de eerste priester de monstrans van St. Laurentius te dragen, de tweede een fraai bewerkte kas met de kooltjes van dezelfde heilige, de derde de relieken van St. Blasius, de vierde een rode met vergulde rozen versierde kas met daarin relieken van onbekende heiligen, de vijfde een rode kas, waarop twee kruizen en vergulde bloemen staan afgebeeld, met diverse relieken, de zesde een witte kas met vele relieken en afsluitend de zevende het reliekenkruis van Jan van Arkel. Nadat de optocht bij de verzamelde gelovigen was aangekomen, werd eerst het kruis ter verering voorgehouden, dan de kleinere reliekhouders en tenslotte de grotere. Vervolgens trad de bisschop of zijn plaatsvervanger naar voren, verleende de aflaat en zegende de aanwezigen. Afsluitend keerde de processie onder het zingen van 'Te Deum laudamus' weer terug naar de sacristie alwaar enige bekers wijn werden genuttigd. Daarmee was de plechtigheid voor de gelovigen echter nog niet afgelopen. Er werd een plechtige mis gevierd en het kapittel inviteerde gastpredikers uit een van de Utrechtse kloosters. Zo had koster Adriaen van Naeldwijk op 22 juli 1481 een volle taak aan alle voorbereidingen en is er niet alleen wijn geschonken aan de domprelaten en de celebrant Jan Oudaen maar eveneens aan de aanwezige abten van de abdij van St. Paulus en die van St. Laurens te ⟶ Oostbroek. In 1487 werden aflaten afgekondigd en trad meester Thomas, professor in de theologie, als gastcelebrant op. Speciale gast op die kerkwijdingsdag was de hertog van Beieren. In 1494 toonde meester Jacob, pastoor van de Utrechtse Buurkerk, de relieken en ontving daarvoor een Hongaarse dukaat. Wijbisschop Jan ter Riet was eveneens van de partij. Op 22 juli 1501 preekte Adriaan, lector bij de augustijner orde, voor het gelovige volk. In 1508 hield de wijbisschop de preek tijdens de reliekenvertoning. Enige dagen tevoren, zo vermelden de rekeningen van de domfabriek, was bode Dirk van Malsen met koster Dirk afgereisd naar Oostbroek om de abt te verzoeken de ceremonie met zijn aanwezigheid luister bij te zetten. In 1522 was het, als afsluiting van de reeks voorbeelden, de gardiaan van het minderbroedersklooster die de preek en de reliekenvertoning verzorgde.

Omvang van de bedevaart
- Was er nu vanwege de omvangrijke, in prachtige houders geborgen verzameling relieken en een geregelde liturgische campagne ook sprake van een grote toestroom van pelgrims naar de Dom? Verschillende historici, waaronder Eekhof, Tenhaeff en Vroom, die zich met de reliekencultus in de Dom hebben bezighouden, komen ieder afzonderlijk tot de conclusie, dat het aantal bezoekers gering is geweest en daarmee de inspanningen van het domkapittel op dit terrein als mislukt moeten worden beschouwd. De Dom heeft zich nimmer tot een groots bedevaartcentrum ontwikkeld. De oorzaak daarvan is waarschijnlijk gelegen in het ontbreken van een centrale devotionele trekpleister. De reliekenschat van de Dom bevatte meer kwantiteit dan kwaliteit, ondanks de verwoede pogingen van het kapittel om daarin verandering te brengen. Afgaande op de feiten uit het overgeleverde bronnenmateriaal kan de zojuist geopperde gevolgtrekking alleen maar bevestigd worden.

Opgelegde bedevaarten
- De berichten over bedevaarten naar de Dom zijn slechts sporadisch en dan betreffen het doorgaans ook nog als straf opgelegde boetetochten. Van de ruim 3000 bedevaarten die tussen 1383 en 1513 te Antwerpen werden opgelegd, hadden er twaalf de Utrechtse Dom tot bestemming. Hendrik Woutersz, priester in het Brabantse Loenhout, kocht in 1537 zijn wegens de schending van het celibaat opgelegde boetetocht naar de Dom af met 2 gulden. Interessant is de vermelding in een omstreeks 1595 door de Luikse kerkelijke rechtbank gehanteerde tarieflijst, waarin het equivalent van een opgelegde pelgrimstocht naar de Utrechtse Dom op 5 goudguldens was vastgesteld. Weliswaar was er vijftien jaar eerder reeds een einde gekomen aan de openbare katholieke eredienst aldaar maar de gedachte dat dit slechts van tijdelijke duur zou zijn, leefde klaarblijkelijk nog. De correctieboeken van Leiden maken van 1434 tot en met 1557 melding van honderden strafbedevaarten. Slechts twee daarvan hadden de Dom als doel. Vergelijkbare lage aantallen gelden voor plaatsen als Lier, Luik, Maastricht en Rijsel. Deze magere cijfers vinden hun bevestiging in de schaarse opbrengsten van de pelgrimsgiften ('immolaciones'). In de rekeningen van de domfabriek blijkt deze post nooit meer dan enkele procenten van het totaal aan inkomsten uitgemaakt te hebben. In het boekjaar 1483/1484 waren de inkomsten helemaal nihil vanwege de toen woedende Stichtse burgeroorlog. In 1557 klaagde de fabrieksmeester van de Dom, dat hij bij de reliekentoning de kaarsenrekening niet had kunnen voldoen uit de offergaven ten gevolge van de afnemende devotie en zich zodoende gedwongen zag deze maar zelf te betalen. Vanaf 1572 houden de inkomsten uit pelgrimages, met uitzondering van 1574/1575, helemaal op. De reliekencultus in de Dom was kleinschalig van aard en dus allerminst een (kas-)succes.

Einde van de verering
- Met het verbod op de uitoefening van de katholieke eredienst in 1580 kwam een einde aan de openbare verering van relieken in de Dom en werd een proces van katholieke ontmanteling en protestantisering van het kerkgebouw in gang gezet. Geheel abrupt zal het einde van de reliekenverering niet geweest zijn, want gezien de verminderde inkomsten uit de aflaatgelden en offerblokken in de rekeningen van de domfabriek, was deze uiting van devotie reeds in het tweede en derde kwart van de 16e eeuw aan slijtage onderhevig.
- Nog éénmaal is de Dom in katholieke handen geweest. Na de verovering van Utrecht door de Fransen begin juni 1672 (het 'rampjaar') is het kerkgebouw op last van de bezetters gezuiverd van de protestantse aankleding en overgedragen aan de katholieken. Op zondag 10 juni hield apostolisch vicaris Johannes van Neercassel met grote plechtigheid zijn intocht in de oude kathedraal en droeg vervolgens een mis op. Hoogstwaarschijnlijk zullen zich onder de katholieke parafernalia relieken bevonden hebben en mogelijk heeft hun aanwezigheid tot een kortstondige herleving van de cultus geleid. De toeloop van vereerders moet echter gezien de voortdurende staat van oorlog in de Nederlanden van beperkte kwantitatieve en geografische omvang zijn geweest. Terstond na de aftocht van de laatste Franse troepen op 23 november 1673, ontruimden de katholieken de Dom en namen de protestanten deze weer in bezit.
- Wat er na de reformatie in 1580 met de relieken zelf gebeurde, onttrekt zich voor een deel aan onze waarneming. De zilveren en vergulde reliekhouders waren al in 1578 op last van het kapittel omgesmolten voor het lenigen van schulden en de financiering van de opstand tegen de landsheer, koning Philips II, zodat de relieken het sindsdien met een veel minder kostbare behuizing moesten doen.
- Op 24 februari 1602 ontvingen de jezuïeten te Emmerik ettelijke relieken die afkomstig waren uit Utrecht, onder meer een bot van St. Maarten en delen van Pontianus en Agnes. De resten van deze drie heiligen waren zwart omdat ze te lijden hadden gehad van een heiligschennende brand van de geuzen. Enkele jaren later zou een voorname katholiek gebleven burger van Utrecht, Everardus Botter, voor ƒ2000 alle overgebleven relieken van de St. Maartenskerk kopen, waaronder het lichaam van Odulphus en relieken van Cunera. Op 18 april 1629 schonk Ida van Mierlo, weduwe van Botter, een gedeelte van de reliekenschat aan de jezuïeten in Halle bij Brussel: een deel van het hoofd van Odulphus, een rugwervel en het linker schouderblad van St. Gregorius (bisschop van Utrecht, †25-8-775 of 780), 'eenighe beenkens' van St. Chelindis (maagd en martelares) en beenderen van de 11.000 maagden. Enkele relieken van St. Pontianus bevonden zich omstreeks het midden van de 18e eeuw in de schuilkerk van de Oud-bisschoppelijke Clerezie te Leiden. Deze of andere relieken van dezelfde heilige zijn later terechtgekomen in de Utrechtse St. Gertrudiskerk, thans kathedrale kerk van het oud-katholiek aartsbisdom Utrecht. In 1994 schonk de oud-katholieke aartsbisschop, A. Glazemaker, een deel van de Pontianusrelieken aan het Italiaanse aartsbisdom van Spoleto-Norcia. Op 20 en 21 augustus van dat jaar ging de translatie in Spoleto gepaard met grote feestelijkheden: Pontianus, de plaatselijke patroonheilige, wiens relieken in 960 door bisschop Balderik naar Utrecht waren gebracht, was na 'duizend jaar ballingschap' weer thuisgekomen (vgl. hierboven bij Cultusobject, algemeen). Overigens is een deel van de relieken in het bezit van de St. Gertrudiskathedraal gebleven voor eigen devotioneel gebruik.
De 'hamer' van St. Maarten is na de nodige omzwervingen beland in het Utrechtse museum 'Het Catharijneconvent' en wordt daar, hoewel om heel andere redenen, nog steeds gekoesterd.

Bronnen en literatuur Archivalia: Utrecht, Rijksarchief in Utrecht, archief Dom nrs. 405, 419, 436, 437, 438, 2505 en 2507- 2509.
Tekstedities: Jos. Strange ed., Caesarii Heisterbacensis monachi ordinis Cisterciensis Dialogus miraculorum, dl. 2 (Keulen etc.: J.M. Herberle, 1851) p. 233-234; A. v. L[ommel], 'Berigten aangaande reliquiën van heijligen of h. zaken uit Noord-Nederland ontvoerd, Ais 1582-1630', in: Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht 7 (1879) p. 106, 112-113, 149-155; S. Muller Fzn. ed., 'Drie Utrechtse kroniekjes vóór Beka's tijd', in: Bijdragen en mededeelingen van het Historisch Genootschap 11 (1888) p. 473, 490; S. Muller Fzn. ed., Het oudste cartularium van het sticht Utrecht ('s-Gravenhage 1892) p. 178-182; S. Muller Fzn. ed., Het Rechtsboek van den Dom van Utrecht door mr Hugo Wstinc ('s-Gravenhage 1895) p. 114; G. Brom ed., 'Middeleeuwsche kerksieraden', in: Archief voor de geschiedenis van het aartsbisdom Utrecht 26 (1900) p. 233-236, 238-242, 249-251, 262, 264, 266 270-271; S. Muller Fzn. ed., 'Arnoldus Buchelius Traiecti Batavorum descriptio', in: Bijdragen en mededeelingen van het Historisch Genootschap 26 (1906) p. 177; P. Séjourné, Ordinarius S. Martini Trajectensis (Utrecht: Dekker & Van de Vegt, 1919-1921) p. [2b], [3b-4], [5], [6b-7b], [10b-11b], [13b], [15-15b], [17], [25b-26b], [27b-30], [31b] en [37]; S. Muller Fzn. en A.C. Bouman ed., Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, dl. 1 (Utrecht 1920) nrs.439 (1163 of 1175) en 491 (1176-1181); J.W. Berkelbach van der Sprenkel, Regesten van oorkonden betreffende de bisschoppen van Utrecht uit de jaren 1301-1340 (Utrecht: Historisch Genootschap, 1937) nr. 541; N.B. Tenhaeff en W. Jappe Alberts ed., Bronnen tot de bouwgeschiedenis van den Dom te Utrecht, dl. 2.1-3 ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1946, 1969, 1976) passim; F. Ketner, Oorkondenboek van het Sticht Utrecht tot 1301, dln. 3-5 ('s-Gravenhage 1949, 1954, 1959) nrs. 1660 (1265), 1722 (1267), 2349 (1288), 2364 (1288), 2397 ('vidimus' uit 1289 van nr. 2364), 2496 (1291) en 2760 (1296); G. Bannenberg, A. Frenken, H. Hens, De oude dekenaten Cuijk, Woensel en Hilvarenbeek in de 15de- en 16de-eeuwse registers van het aartsdiakenaat Kemperland, dl. 2 (Nijmegen: Gebr. Janssen, 1970) p. 155, over Hendrik Woutersz in 1537; H. Bruch ed., Chronographia Johannis de Beke ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1973) p. 69; C.A. Rutgers ed., De Utrechtse bisschop in de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1978) p. 149-153, vertaling van het mendicatorium van elect Jan van Nassau uit 1288, zie voor een enigszins afwijkende vertaling: Vroom (1981; zie onder B) 501-505; H. Bruch ed., Croniken van den Stichte van Utrecht ende van Hollant ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1982) p. 51, 354-355.
Literatuur: H.F. van Heussen en H. van Rijn, Historie ofte beschrijving van 't Utrechtsche bisdom etc., dl. 1 (Leiden 1719) p. 102-111; A. Matthaeus, Fundationes et fata ecclesiarum, etc. dl. 1 (Leiden 1703) p. 21; W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de hervorming, dl. 2.3 (Utrecht 1869) p. 167-168; J.A.F. Kronenburg, Neerlands heiligen in vroeger eeuwen, dl. 2 (Amsterdam: Bekker, 1898) p. 19; S. Muller Fzn., De dom van Utrecht (Utrecht 1906) p. 11-12, 17-18; A. Eekhof, De questierders van den aflaat in de Noordelijke Nederlanden ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1909) p. 14-17, 48-55 en XCVIII-C; H.P Coster, 'Het koperen hek voor het altaar van St. Maarten in den Dom te Utrecht', in: Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 2e serie, 2 (1909) p. 196-218; P. Séjourné, Ordinarius S. Martini Trajectensis (Utrecht 1919-1921) p. 188-189, 218-221; W. Nolet en P.C. Boeren, Kerkelijke instellingen in de middeleeuwen (Amsterdam: Urbi et Orbi, 1951) p. 285-293; R.R. Post, Kerkgeschiedenis van Nederland in de middeleeuwen, dl. 2 (Utrecht: Spectrum, 1957) p. 250, hij vermeldt abusievelijk dat de Dom in het bezit was van het 'hoofd van Sint-Andreas'. Dit moet 'het hoofd van Sint-Adrianus' zijn. Evenmin is zijn bewering juist, dat deze belangrijke reliek aanleiding gaf tot een processie. Er zijn daarvoor geen aanwijzingen gevonden.; P.C. Boeren, Heiligdomsvaart Maastricht. Schets van de geschiedenis der heiligdomsvaarten en andere jubelvaarten (Maastricht 1962) p. 156-157; E.J. Haslinghuis en C.J.A.C. Peeters, De dom van Utrecht ('s-Gravenhage: Staatsuitgeverij, 1965) p. 157-190; P. Polman o.f.m., 'Sint Ponciaen van Utrecht', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 9 (1967) p. 213- 230; J. van Herwaarden, Opgelegde bedevaarten (Assen-Amsterdam: Van Gorcum, 1978) p. 701, 705, 728-730; W.H. Vroom, De financiering van de kathedraalbouw in de middeleeuwen (Maarssen: G. Schwarz, 1981) p. 276-289, 334-336, 501-505, 530-541; J. den Tex, Onder vreemde heren. De Republiek der Nederlanden 1672-1674 (Zutphen: Walburg Pers, 1982) p. 37-40, 177-179; J. M.A. van Cauteren, 'De liturgische koordispositie van de romaanse dom te Utrecht', in: Utrecht kruispunt van de middeleeuwse kerk (Zutphen: Walburg pers, 1988) p. 63-84; M. Breij, Sint Maarten schutspatroon van Utrecht (Utrecht 1988) p. 25-28; L.E. van den Bergh-Hoogterp, Goud- en zilversmeden te Utrecht in de late middeleeuwen, 2 dln. ('s-Gravenhage: SDU, 1990) dl. 1, p. 248-251, dl. 2 , p. 576-585; B.J.P. van Bavel, Goederenverwerving en goederenbeheer van de abdij Mariënweerd (1129-1592) (Hilversum: Verloren, 1993) p. 486; A. de Groot, 'Beelden in de Dom van Utrecht in de zestiende eeuw', in: Beelden in de late middeleeuwen en renaissance Nederlands kunsthistorisch jaarboek 45 (Zwolle: Waanders, 1994) p. 38-97; 'Relieken heilige Pontianus van Utrecht terug naar Spoleto', in: Een-twee-een [informatiebulletin] 22 (1994) p. 518.
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Utrecht-Maarten; te vermelden zijn hier ook de BiN-dossiers met gegevens over Utrechtse vereringen die geen bedevaartkarakter hebben gehad: in de Dom: Adrianus, Andreas, Maria Magdalena, Pontiaan en in de St. Salvator/Oudmunster: Odulphus, ⟶ Bijlage 7; Collectie 'Martinus' van A.J. Bomans, opgenomen in BiN-dossier (acquisitie 2012).

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<