HomeDatabankenBedevaarten

Bedum, H. Walfridus

Mail voor aanvullingen en commentaar
Cultusobject: H. Walfridus
Datum: 3 december (dies natalis); 22 juni (translatio)
Periode: ca. 1000 - 16e eeuw
Locatie: Parochiekerk van St. Walfridus (thans N.H.)
Adres: Plantsoen 2, 9781 HC Bedum
Gemeente: Bedum
Provincie: Groningen
Bisdom: Groningen
Samenvatting: De relieken van de heilige martelaar en als ontginner bekend staande Walfridus van Bedum, omstreeks 1000 om het leven gebracht door Noormannen, werden in Bedum vereerd. De cultus was gesitueerd in een aanvankelijk houten kapel op zijn graf. Deze kapel groeide uit tot een bedevaartkerk van regionale betekenis. Tot ver in de 16e eeuw werd ze vergroot en verbouwd, uiteindelijk tot monumentale hallenkerk met hoogkoor, maar in de 17e eeuw bleek dit hoogkoor reeds ernstig in verval geraakt en voor 1661 werd het weer afgebroken. Van bedevaarten wordt na de 15e eeuw geen gewag meer gemaakt.
Auteur: Remi van Schaïk
Illustraties:
(Klik op afbeelding voor vergroting)
Topografie - Op een reeds omstreeks het jaar 900 bewoond veenterpje, de kern van het latere dorp Bedum, werd na de dood van Walfridus (ca. 1000) het huis waarin hij een bidcel zou hebben ingericht, getransformeerd tot een houten grafkapel die zou uitgroeien tot bedevaartkerk. Na verloop van tijd, in de tweede helft van de 11e eeuw, werd de kapel vervangen door een tufstenen, romaanse eenbeukige kruiskerk met halfrond gesloten koor. Deze kerk gold sedertdien als de parochiekerk (gewijd aan Maria, St. Paulus en St. Walfridus) van Bedum (bisdom Münster). Tijdens de 12e eeuw zal het schip grotendeels zijn afgebroken en vervangen door een driebeukig schip in romaanse stijl, waardoor een driebeukige kruisbasiliek ontstond. De romaanse, in tufsteen opgetrokken toren kwam mogelijk in dezelfde bouwfase tot stand en de transepten aan de oostzijde werden voorzien van absiden. Misschien stammen ook uit deze fase de noordelijke en zuidelijke aanbouwen aan de toren met op de begane grond en de verdieping ruimten die naar toren en schip geopend waren, waardoor een zogeheten gereduceerd westwerk ontstond.
- In de loop van de eerste helft van de 16e eeuw had de bouw van een langer hoogkoor met kooromgang plaats en werden de midden- en zuidbeuk getransformeerd tot een hoog opgetrokken hallenkerk. Een sluitsteen uit 1564, voorstellend de boer Walfridus met spade (nu ingemetseld in de voormalige pastorie ten noorden van de kerk), markeert de voltooiing van de zuidbeuk.
- Mogelijk tengevolge van inadequate fundering van het zware hoogkoor is de zuidbeuk reeds in de eerste helft van de 17e eeuw in verval geraakt en vóór 1661 afgebroken. Omstreeks 1860 zijn na instorting van een van de gewelven de andere bouwvallige gewelven in midden- en zuidbeuk uitgebroken en vervangen door een stucplafond. Na de restauratie en de verbeterde fundering van de al kort na de bouw sterk in westelijke richting verzakte toren in de veertiger en vijftiger jaren van de 20e eeuw en na twee archeologische opgravingen in 1985 (buiten het kerkgebouw) en 1995 (binnen het kerkgebouw) vond een omvangrijke restauratie van het kerkgebouw plaats in 1995-1996, waarbij o.a. de romaanse bogen tussen midden- en noordbeuk weer in het zicht werden gebracht en de laatgotische pilaren en bogen in de kruising in oude staat werden hersteld. Het stucplafond is evenwel gehandhaafd.
- De Walfridusbrug, de brug die Walfridus volgens de vita zou hebben gebouwd over de rivier de Hunze om de St. Maartenskerk in Groningen gemakkelijker te bereiken, is sedert 1321 archivalisch gedocumenteerd. Zij heeft gelegen in de tegenwoordige buurtschap Noorderhoogebrug (sinds 1969 gemeente Groningen), een naam die sedert de 16e eeuw de oude naam heeft verdrongen.
Cultusobject - Volgens de bewaard gebleven 'vitae' zijn Walfridus en zijn zoon Radfridus (⟶ Bedum, H. Radfridus) plaatselijke boeren geweest uit de Friese landen tussen Lauwers en Eems, die het moerassige land tot vruchtbare grond ontgonnen en zich manifesteerden als voorbeeldige christenen. Voor het kerkbezoek waren ze aangewezen op de St.-Maartenskerk in het toenmalige dorp Groningen. Walfridus bouwde over de rivier de Hunze een brug, die vervolgens naar hem vernoemd werd en door zijn familie werd onderhouden. Walfridus nam een volgeling de biecht af. Zijn verwanten, die als clan krachtens de toenmalige maatschappelijke verhoudingen meningsverschillen via vete plachten uit de weg te ruimen, hield hij als christelijk voorbeeld verzoeningsgezindheid voor. Hij voorspelde zijn eigen dood. Tijdens een aanval van de noormannen op het Friese kustgebied, brandschatten dezen het dorp Groningen en vergrepen zich op hun terugtocht naar de kust aan Walfridus en diens zoon Radfridus. Beiden werden omgebracht en begraven op hun eigen woonstede. De uit Utrecht afkomstige hagiograaf Rosweyde (17e eeuw) vertelt dat Walfridus werd onthoofd en dat het lichaam van Radfridus pas enige tijd na diens marteldood in het riet werd teruggevonden. De plaatsnaam Bedum wordt in dit verband niet genoemd. Deze gebeurtenissen moeten op grond van archeologische, historisch-geografische en historische gegevens gedateerd worden omstreeks het jaar 1000.
- Het graf en de relieken van St. Walfridus zijn het cultusobject geweest. Over de precieze plaats van het graf en de wijze waarop de relieken werden bewaard, geven de bronnen geen informatie. Evenmin is het bekend waar deze relieken zijn gebleven nadat pastoor Johan Clant in 1566 zijn priesterkleren had afgelegd en tot de reformatie was overgegaan. Clant, die blijkens een verhoor dat hem in 1569 werd afgenomen, de beelden uit de kerk had verwijderd (over de relieken wordt niet gerept), werd in 1567 uit zijn ambt gezet en moest uitwijken naar Emden. Ook tijdens en na de definitieve overgang naar de reformatie in 1594 gewagen de bronnen niet over het eertijds vereerde graf.
- Bij opgravingen in 1995 zijn op de plaats van het oudste stenen koor sporen aangetroffen van bewoning op een veenterpje, hetgeen waarschijnlijk de plaats aangeeft waar het graf moet worden gelokaliseerd. Sporen van begraving zijn ter plekke evenwel niet aangetroffen.
Verering - Direct na het martelaarschap van Walfridus en Radfridus ontstond een volkse verering die uitmondde in de stichting van een tweetal houten kapellen, alwaar zich verschillende wonderen voordeden. In verband met het graf van Walfridus worden de genezing van een jongen die sedert zijn geboorte blind was, en die van een lamme vrouw expliciet vermeld. Na verloop van tijd werd de kapel van Walfridus omwille van de vele bedevaartgangers, die niet enkel uit de Friese landen, maar ook van elders afkomstig heetten te zijn, vervangen door een stenen kerk, die werd gewijd door de toenmalige bisschop van Münster.
- Van de heilige in kwestie is een 'vita' in verschillende versies bewaard gebleven die in oorsprong mogelijk in de loop van de 12e eeuw is samengesteld, maar deels gebaseerd is op mondelinge overlevering. De vita is wellicht bedoeld geweest voor zijn canonisatie door de bisschop van Münster, binnen wiens diocees Bedum was gelegen. De plechtige inwijding door de bisschop van de eerste stenen kerk en de translatie van het gebeente van de heilige naar zijn nieuwe rustplaats op 22 juni markeren naar alle waarschijnlijkheid de vereiste (bisschoppelijke) canonisatie. Het jaartal hiervan is onbekend, maar valt naar de bouwgeschiedenis van de kerk te oordelen vermoedelijk in de loop van de 12e eeuw. Het eerste teken van een kerkelijke erkenning is te vinden in een uit omstreeks 1200 daterend missaal met voor 22 juni geprogrammeerde gebeden tot St. Walfridus dat naar alle waarschijnlijkheid in Hellum (Gr) in gebruik is geweest. Sedertdien is de feestdag 22 juni blijkens dateringsgebruiken zowel in de onder het bisdom Utrecht ressorterende stad Groningen bekend als in verschillende plaatsen op het Groninger platteland, dat onder het bisdom Münster viel. Uitsluitend het necrologium van de abdij Elten, weliswaar daterend uit de 14e eeuw, maar waarschijnlijk teruggaand op een 11e-eeuwse 'Vorlage', vermeldt zowel 3 december als 22 juni als Walfridusfeesten.
- De ongetwijfeld op Walfridus' verzoeningsgezindheid geïnspireerde Walfridusvrede, een vredesbestand staande in de traditie van de Godsvredebeweging ter waarborging van de geordende rechtsgang in de streek, wordt het eerst genoemd in het Hunsingoër rechtsboek van 1252.

Bedevaarten
- De verering is steeds lokaal of beperkt regionaal van uitstraling geweest, hoewel de vondst van een 15e-eeuws Walfriduspelgrimsinsigne in de Oosterschelde (Reimerswaal) en een 14e-eeuws zegelstempel van een overigens onbekende frater Johannes de Bedum met beeltenis van Walfridus, aangetroffen in Kollumerland (F), een groter bereik doet vermoeden. De vita lijkt pas sedert de 15e eeuw buiten de regio bekend geworden te zijn en aldus via verzamelingen van heiligenlevens (Utrecht, Turnhout, Brussel) verspreid geraakt. Op basis daarvan is de levensbeschrijving geboekstaafd door laat-16e-eeuwse en vroeg-17e-eeuwse hagiografen uit de Zuidelijke Nederlanden.
- Over bedevaarten zijn anders dan uit de vita hoegenaamd geen directe gegevens voorhanden. Een rechtshandschrift uit de tweede helft van de 15e eeuw bevat evenwel een passage, waarin sprake is van een periode van vrede, wanneer 'de gemenen lude to gader komen omme gnade ende omme aflaet to [...] Sunte Walfridusdach [waarschijnlijk 22 juni] toe Bedum'. Verder leggen alleen missalen, kalenders, dateringsgebruiken, afbeeldingen op pastoorszegels, maar vooral de kerk zelf met zijn rijke bouwgeschiedenis en zijn enorme goederenbezit getuigenis af van de aantrekkingskracht die de verering van deze heilige (en zijn zoon) moet hebben uitgeoefend.
- Na het verval van de bedevaarten, wellicht reeds tegen 1500, en de intrede van de reformatie is de herinnering aan de lokale pionier Walfridus, meer als ontginner, initiator tot de waterstaat, dan als heilige, in Bedum en directe omgeving blijven bestaan. Onder de katholieke minderheid ter plaatse bleef hij bekend dank zij twee verschillende, aan hem gewijde liederen, opgenomen in twee contrareformatorische Nederlandse gezangboeken uit de 17e eeuw.

Historische belangstelling
- Tijdens de 19e eeuw raakte hij onder invloed van een opbloeiende historische interesse bij 'verlichte' lieden in de regio weer wat meer in de belangstelling, maar zijn heiligheid werd eerst door de verschijning van J.A.F. Kronenburgs boek over Neerlands heiligen in de Middeleeuwen (1899) algemener bekend en werd in de eerste decennia van de 20e eeuw als uiting van emancipatorisch katholicisme op de voorgrond geplaatst. Een poging van pastoor F.A. Paping (1878-1941) om in de jaren 1917-1932 de Walfriduscultus nieuw leven in te blazen door er grotere publiciteit aan te geven en alsnog pauselijke canonisatie te bewerkstelligen mislukte.
- Na de dertiger jaren zakten belangstelling en kennis van zaken snel weg, totdat historisch en archeologisch onderzoek in 1985 de betekenis van de cultus hernieuwd in de belangstelling bracht. In religieus opzicht leidde dit ertoe dat in de r.k. eredienst de 22e juni of de meest nabije zondag te Bedum een bijzondere plaats heeft verworven, terwijl opmerkelijkerwijze deze feestdag ook in de Grieks-Byzantijnse ritus, zoals die in de stad Groningen wordt gevierd, een rol is gaan spelen. Publiciteit rondom de opgravingen, de grootscheepse restauratie van de kerk, een speciale expositie in het Groninger Museum en tal van lezingen in 1995-1996 hebben de belangstelling aanmerkelijk vergroot.
Materiële cultuur - 1 Zegelstempel uit de eerste helft van de 14e eeuw met een afbeelding van vrijwel zeker St. Walfridus (vindplaats: Kollumerland, F): collectie D. Dijs (vgl. Zijlstra, 'Corpus', p. 49-50 met afb.); 2 draagspeld, mogelijk St. Walfridus, lood-tin, 1450-1500 (vindplaats: Reimerswaal): collectie H.J.E. van Beuningen te Cothen (identificatie naar aanleiding van correspondentie over H.J.E. van Beuningen en A.M. Koldeweij, Heilig en profaan. 1000 laatmiddeleeuwse insignes uit de collectie H.J.E. van Beuningen (Cothen 1993) p. 205 nr. 399 met afb.); 3 als devotieprentje bedoelde fotokaart (zonder tekst), voorstellend het van ca. 1900 daterende Walfridusbeeld in de r.k. kerk te Bedum met de N.H. Walfriduskerk op de achtergrond, ca. 1920, bewaard in Bisdomarchief te 's-Hertogenbosch, collectie Dagobert Gooren ss.cc. (vgl. Knol en Van Schaïk, 'De overlevering', p. 5 met afb.).

Bronnen en literatuur Archivalia: Handschriften van de 'vita': Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I: hs. 858-861, fol. 282r-283v, Augustijnerklooster Korsendonk Turnhout, 1490-1493; Wenen, Österreichische Nationalbibliothek: series nova 12812, fol. 203v-205r, Augustijnerklooster Rooklooster Brussel, 1471-1479; Utrecht, Bibliotheek Rijksuniversiteit: hs. 391-II, fol. 62r-63v, Kartuizerklooster Nieuwlicht Utrecht, 1424-1426, en hs. 392, fol. 98r-99r, Nieuwlicht Utrecht, ca. 1440; Groningen, gemeentearchief: hs. in-4o nr. 9, fol. 149v-150r, 15e-eeuws rechtsboek; voor een overzicht van de handschriften en de editie van vita: zie M. Carasso-Kok, Repertorium van verhalende historische bronnen uit de middeleeuwen ('s-Gravenhage: Nijhoff, 1981) nr. 92.
Tekstedities: Oudere teksteditie van de vita naar het Brusselse en Weense hss.: Anecdota ex codicibus hagiographicis Iohannis Gielemans etc. (Brussel 1895) p. 40-45. Kritische teksteditie van de vita op basis van de vier hss.: Remi van Schaïk, Walfridus van Bedum. Een duizend jaar oude Groninger overlevering (Groningen: Wolters-Noordhoff/Bouma's Boekhuis, 1985) p. 134-151, met Nederlandse vertaling; p. 152-155, uitgave van twee contrareformatorische Walfridus- en Radfridusliederen uit resp. 1635 en 1682; passages (vermoedelijk) uit het Utrechtse hs. (UB hs. 392) van de vita opgenomen in de tweede redactie, Carmelietenklooster Haarlem, 1485/1486-1494 van het 'Chronicon comitum Hollandiae et episcoporum Ultraiectensium' van Johannes a Leydis, gedrukt in: F. Sweertius, Rerum Belgicarum annales chronici et historici etc., dl. 1,1 (Frankfort 1620) p. 85-86; A. Pathuis, 'Het handschrift 'Ommelands Eer' van pater Franciscus Mijleman S.J., missionaris der Ommelanden 1639-1667', in: Archief voor de geschiedenis van de katholieke kerk in Nederland 7 (1965) p. 49, 64-65.
Literatuur: Aub. Miraeus, Fasti Belgici et Burgundici (Brussel: J. Peperman, 1622) p. 722-723; Petrus Ribadineira en Heribertus Rosweydus, Generale legende der Heylighen etc., dl. 2 (Antwerpen: Hieronymus Verdussen, 1686; 6e dr.) p. 558; J.A.F. Kronenburg, Neerlands heiligen in de Middeleeuwen, dl. 1 (Amsterdam: Bekker, 1899) p. 3-13; H. Halbertsma, Frieslands oudheid (Groningen 1982) p. 318-325; Remi van Schaïk, Walfridus van Bedum. Een duizend jaar oude Groninger overlevering (Groningen: Wolters-Noordhoff/Bouma's Boekhuis, 1985) (met verwijzingen naar bronnen en oudere literatuur); Remi van Schaïk, 'De Sint-Walfriduskerk van Bedum. Opbouw en verval van een monument', in: Groninger Kerken 4 (1987) p. 28-39; Heinrich Schmidt, 'Kirchenbau und 'zweite Christianisierung' im friesisch-sächsischen Küstengebiet während des hohen Mittelalters', in: Niedersächsisches Jahrbuch für Landesgeschichte 59 (1987) p. 63-93; J.J. van Moolenbroek, 'Signs in the heavens in Groningen and Friesland in 1214: Oliver of Cologne and crusading propaganda', in: Journal of Medieval History 13 (1987) p. 253-257; Ada van Deijk, Kerken in Groningen (Zutphen: Walburg Pers en Stichting Oude Groninger Kerken, 1995) p. 19-21; Jan Zijlstra, 'Corpus van de in Friesland gevonden middeleeuwse zegelstempels', in: De Vrije Fries 75 (1995) p. 37-59, aldaar nr. 23; Egge Knol, 'De overlevering van Sint Walfridus van Bedum', in: Groninger Museumkrant, 9 nr. 1 (1996) p. 12 (tevens los informatieblad); Egge Knol en Remi van Schaïk, 'De overlevering van Sint Walfridus', in: Bulletin Vereniging Vrienden van het Groninger Museum nr. 45 (1996) p. 1-5; P.B. Kooi, 'Bedum (Gr), wierde, veenterp, dijkdorp', in: Paleo-aktueel 7 (1996) p. 88-90; Piet Kooij, 'Het archeologisch onderzoek in de Walfriduskerk van Bedum', in: Groninger Kerken 14 (1997) p. 5-14.
Literair essay waarin Walfridus en Radfridus figureren: C.O. Jellema, Bedevaart (Groningen: Stichting Oude Groninger Kerken, 1993).
Overige bronnen: Meertens Instituut BiN-dossier Bedum-Walfridus. een beredeneerd overzicht van bewaard gebleven en verloren gegane afbeeldingen vindt men bij Van Schaïk, Walfridus, p. 156-161

  Mail voor aanvullingen en commentaar.
 
<<